Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CYPHELLA.

Zooals de naam, die van het Grieksche woord xccpó? of beker is afgeleid reeds aanduidt, hebben de zwammen die tot dit geslacht behooren een beker, kom of kroesvorm, verder zijn zij vliezig, soms kurkachtig, enkele hebben een steel, anderen missen die. Het hymenium is glad of ruw.

De sporen zijn rond, ellipsvormig of langwerpig en doorschijnend. Zij groeien op hout, stengels, bladeren en mos.

A. Soorten die op takken of hout voorkomen.

1. C. ampla (Lev.) afgeleid van amplus of wijd.

Het vruchtlichaam is vliezig, komvormig, zittend, dan, iets uitgerekt en gelijkende op een bekertje, 1 cM. lang bij 7 a 8 mM. breedte, viltig, vuil wit of grijsachtig, met dunnen rand die gaaf en gebogen is.

Het hymenium is bleek geel, dan bruinachtig met onduidelijke plooien.

Op stronken en afgevallen takken, vooral van populieren, van Mei tot November overal voorkomend.

2. C. fulva (B. en Br.) afgeleid van fulvus of vaalrood. Het vruchtlichaam is bekervormig, gebogen, 'viltig,

vaalrood.

De sporen zijn eivormig.

Op de schors van verschillende boomen te vinden, doch zeldzaam.

3. C albo-violascens (Karst.) afgeleid van albus of wit

en violaceus of violet.

Het vruchtlichaam is eerst bijna kogelrond, dan halfrond, bijna kurkachtig, wit behaard en droog zijnde gesloten. . "ïi. Het hymenium is glad, bruin-aschgrauw, bruin-vioiet-

kleurig, op het laatst zwart wordend, 1 a o mM. breed. De sporen zijn eivormig-kogelrond en glad.

In het najaar in troepen op dood hout te vinden.