Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermogen, om waar te nemen, de herinnering, de verbeelding, het gevoel, de gave der combinatie en der klassificatie, in één woord bijna alle vermogens van den menschelijken geest beurtelings werkzaam zijn. Het spreekt van zelf, dat het niet alleen van liet taalonderwijs afhangt, hoe ver een leerling het daarin brengt, en evenzeer dat men zoowel aan de meerderheid der onderwijzers als aan die der leerlingen in dit opzicht bescheiden eiscben moet blijven stellen. Maar even waar is het, dat geen geestelijke ontwikkeling van eenige beteekenis verkregen wordt, wanneer er althans niet naar gestreefd wordt, bet in dezen arbeid zoo ver mogelijk te brengen.

Spraakkunstige kennis is daartoe slechts van ondergeschikt belang. Als men, gelijk mij de vorige week overkwam, in een zestal voortreffelijk geschreven bladzijden van Potgieter een tiental grammaticale fouten aantreft, dan zijn deze gebreken met een paar pennetrekken te verwijderen, terwijl een gebrekkig opstel gebrekkig blijft, ook al zijn er zorgvuldig alle zonden tegen de spraakkunst uit gedelgd. Daaruit volgt nu niet, dat de grammatica verwaarloosd moet worden, maar dat men dat „Hoog" steeds nader moet streven, „Waar Eenvouds godsspraak in haar stillen tempel woont", ten einde op die wijze tijd uit te winnen voor belangrijker zaken.

De erkentenis, dat eenvoud ook hier het kenmerk is van het ware, begint meer algemeen te worden en dat is een teeken van vooruitgang. Maar bij de vraag, hoe tot dien eenvoud te komen, dreigen sommigen groote verwarring te stichten. Men vergeet onderscheid te maken tusschen de onderwijzers en de leerlingen. Om voor de laatsten een noodzakelijk en voldoend minimum van spraakkunstig onderricht te verkrijgen, behooren de eersten er juist heel goed in onderlegd

Sluiten