is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK LXXIX.

Abraham Meyer.

In 1893 trad de heer A. Meyer als Voorzitter van het Hoofdbestuur der Vereen, v. Chr. Onderwijzers en Onderwijzeressen in Nederland af. Hij had de gewichtige waardigheid eene reeks van 39 jaren op uitnemende wijze vervuld. Op de algem. verg. dier Vereen., den 23 en 24 Mei 1893 te Rotterdam gehouden, werd hem, op voorstel van het Hoofdbestuur, het Eere-lidmaatschap der Vereeniging aangeboden. De heer H. Bijleveld volgde hem als voorzitter op.

Ter gedachtenis van zijne 25-jarige ambtsvervulling als Chr. Hoofdonderwijzer gaf de heer A. Meyer een boekje in het licht onder den titel Ik zal gedenken, waarin hij enkele der gewichtigste gebeurtenissen uit zijn leven beschreven heeft en waaruit wij het" een en ander meenen te moeten mededeelen.

In het jaar 1844 was de heer A. Meyer hulponderwijzer te Vlaardingen. Zijn patroon begeerde, dat hij neutraal onderwijs zou geven. Het onderwijs door hem gegeven, werd zoo gewijzigd en besnoeid, dat er geen zweem van Christelijke schoolopvoeding zou kunnen overblijven. Alles moest ontchristelijkt worden. Eene zaak was echter onaangeroerd gebleven, het schoolgebed namelijk. Doch ook dit moest den geest van het K. Besluit van 1842 ademen en de hulponderwijzer ontving een paar formuliergebeden, door zijn patroon vervaardigd en op een stukje papier geschreven, die nu voortaan bij het begin en einde der schooltijden met gevouwen handen moesten worden afgelezen. Dit stuitte den jongeling tegen de borst. Hij zocht van betrekking te verwisselen en solliciteerde naar Scheveningen, waar hij hoopte, dat bij aan de school van den heer Van Buuren een betrekking zou vinden. Doch deze sollicitatie, evenals andere, mislukte. God had iets anders met hem voor.

Zoo scheen dan de heer A. Meyer te Vlaardingen te moeten blijven. Als sommigen zich bij de Afgescheidenen voegen, om daar tot de Evangelieverkondiging te worden voorbereid, bij kon, alzoo bekende hij, daartoe niet besluiten. Als anderen het land verlaten en naar NoordAmerika of Zuid-Afrika trekken, de liefde tot de kinderen zijns volks hield hem er van terug. Hij zocht zijne hulp in het gebed en zie, nog was het »Amen" niet van zijne lippen, of daar werd hem eene brief uit Nijmegen overhandigd en wel van niemand minder dan van