is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

violet-donkere schaduwen wrochten over den grijzen weg; loodwit trilden de schrale popelblaadjes als opgeprikte molentjes aan lange masten; purper-goud vlotten de even ribbelfronsende slooten, eindeloos ver weg blitsstriemden de water-spiegels. Tegen den horizon boven de kleine knus saamschuilende huiskes gloeide de hooge baksteen-roode toren van den Dijk, als een baken van vuur in de oneindige polders. In schukkel-draf reden ze langs de grijs bepoeierde grintwegen, lieten het paard even uitblazen bij het aardappelveld waarin de arbeiders van Bergman, afgeschroeid door de zon, langzaam voort tobden. Weer gingen de oogen onderzoekend te kijk — de wieders waren goed opgeschoten, 't Eéne noodige was 'n bui, want de blaren hingen flauw aan de slappe stelen te verflenzen. De nèi-broeiende hette waarde meê met het glij-keilende licht, wreed laaiend met vurige striem-stralen, door-priemend boom-en-blad, grond en werkers, vast-nagelend de hei-hitte tot in de kern van elke leven-trillende vezel. Mat en afgewerkt groetten de arbeiders amper en voort draafde het met wit schuim bedekte paard weer. De wester-kimme laaide als in brandende verpulvering, hooger al hooger ribbel-wirde het ver-