is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorbijganger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang deed stilstaan en nadenken: de groote achterkamer welke op den tuin uitzag, was heel donker; er stond een hoekbuffet, en er was op den marmeren schoorsteenmantel een vergulde pendule onder een stolp; daar hingen aan de wanden platen met ridders er op en edelvrouwen; en achter de pendule stond een groote spiegel, waarvan het goud wit was geworden door het schoonmaken. Een groote ronde tafel stond dicht aan het breede venster; zij was gedekt door een groen kleed, en grootvaders leuningstoel waakte er bij; de andere stoelen met paardehaar-zittingen waren aan de wanden gerangschikt, en er lag op den vloer een grijs kleed met een rood karpet onder de tafel, terwijl naast den schoorsteen een groote mand open rondde die naar riekte. Daarin sliep de oude Bruno, wiens blinde, blauwdof geworden oogen niet meer konden zien.

Uit die donkere kamer, waar tante Mina bezig was, sloop hij weg naar de voorkamer aan de stille gracht. Soms was er werk aan de pakhuizen aan den overkant: balen of vaten werden op zolderschuiten aangevoerd, en door mannen naar boven geheschen; maar aardiger nog om naar te kijken was de trekschuit, die voor het huis aan den wal lag. Zij ging in den namiddag weg, naar een andere stad, en uren lang kon hij zitten kijken naar het laden, terwijl hij overdacht hoe het er in die stad wel kon uitzien: of daar ook huizen waren zooals in Amsterdam, en menschen net als hij er kende? In die voorkamer hingen schilderijen in gouden lijsten :