is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorbijganger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Armand had al kaartjes genomen, en stelde voorin den trein te gaan, toen zich een jongen van een jaar of tien bij hen voegde, dien hij als zijn zoon Antoine voorstelde; een aardige, dikwangige knaap was 't, stevig van gestalte, eerlijk van gezicht, welgemanierd van houding. „Hij gaat in Smyrna op school, en logeert daar bij zijn grootmoeder, maar zaterdagsavonds mag hij met ons mee naar Roemkieuï," vertelde zijn vader.

De vier gingen nu uit de wachtzaal naar het perron, waar een trein stond, Engelsch van inrichting, van opschriften. De jonge Torgau scheidde zich hier van hen: hij zou derde klas reizen. Het was duister geworden, en toen de trein zich in beweging gezet, en eerst een poosje langs buitenwijken van Smyrna gereden had, wierp hij zich in het donkere land, waarin Floris slechts hier en daar een ver licht zag.

Freule Van Torgau had zich in een hoekje gezet, en Floris schonk haar zijn ruikertje witte viooltjes, welks geur zij met een welgevalligen glimlach insnoof. Maar dadelijk beving hem een gevoel van onbehagelijkheid: een bijgeloovige vrees haast, omdat hij haar die bloemen, geplukt aan het graf van een harer voorvaderen, en die zij op de borst had gestoken, witte bloemen des doods, had gegeven. Hij had zich met Armand tegenover haar gezet, en beter dan de twee vorige keeren had hij nu gelegenheid haar gade te slaan. Terwijl hare gedachten afgetrokken schenen, en haar broer vroolijke geschiedenissen vertelde van de Jonische land-