is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze tilde den zwaren handkoffer van 't net, wrong zich uit de coupé, liep de trappen af, en stond op straat — in dubbele beteekenis.

Waarheen?

Vóór haar lag de groote stad, een donkere, grillige klomp met licht-snoeren aan z'n voet, en hier en daar rossige vlam-plekken, als ingevreten in z n lichaam.

Waarheen?

Ze duwden forsch de gedienstige, hotel-afroepende commissionnairs van zich af en wist de toeschietende balie-kluivers te ontkomen, die 't schunnig vonden, dat zoo'n dame met een valies sjouwen wou, en „een mensch geen dubbeltje verdienen liet."

Maar Rinske wilde tot geen prijs dien last afgeven; ze zouen haar naar een „hotel" brengen, en ze zocht een obscuur logement waar ze „schuilen" kon.

Den koffer afwisselend met de eene en dan weer met de andere hand dragend, kwam ze aan den ingang van een smalle straat, die, al was t half elf, vol menschen en licht was.

En voor dat licht had ze vrees.

Ze ging links, een brug over, en na een stap of wat zag ze weer een straat, waar ook nog wel menschen liepen, maar die in 't duister lag.

Die sloeg ze in — op goed geluk. Misschien zou daar wel een eenvoudig logement zijn.

Er slenterden vrouwen, die nu en dan stilstonden en omkeken, en dan weer naar elkaar toevlogen en krijschend praatten en lachten.