is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag der commissie voor de post- en telegraafkantoren ten platten lande, ingesteld bij beschikking van Z. E. den Min. v. Waterst. dd 17 jan. 1908 no. 230

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\ oorts nam op één kantoor, dat in het jaar 1901 tot de 7de en in het jaar 1907 tot de 8ste klasse behoorde, het aantal ambtenaren met één toe; op één kantoor, dat in het jaar 1901 onder de 6de en in het jaar 1907 onder de 7d0 klasse was gerangschikt en op twee kantoren, welke in het jaar 1901 onder de odü en in het jaar 1907 onder de Hd6 klasse waren gerangschikt, bleef het aantal ambtenaren in die twee jaren hetzelfde.

Lit het bovenstaande blijkt, dat voor de 118 kantoren der 7de en 8stö klasse in het jaar 1907 liet grootste aantal ambtenaren, dat naast den directeur werkzaam was, drie bedroeg (met uitzondering van één kantoor der 7de klasse, waar vier ambtenaren aanwezig waren), en dat genoemd aantal van drie ambtenaren in 9 kantoren voorkwam, terwijl in 21 kantoren twee ambtenaren, in 78 kantoren één ambtenaar den directeur bijstond en in 4 kantoren de directeur alleen het werk deed.

Als regel moet dus voor de kantoren der 7de en 8ste klasse in het kantoorlokaal plaats gevonden worden voor ten hoogste drie personen, te weten den directeur en twee ambtenaren. Bij kantoren der 6de klasse, waar blijkens de voorgaande gegevens wel eens meer dan drie ambtenaren voorkomen. doen er in het algemeen niet meer dan drie tegelijkertijd in het kantoorlokaal dienst. Voor zulke kantoren behoeft dan ook slechts ruimte gevonden te worden voor den directeur en drie ambtenaren.

Ten aanzien van de toeneming van het aantal ambtenaren blijkt, bij eene onderlinge vergelijking tusschen de 85 plaatsen, waar zoowel in het jaar 1901 als in het jaar 1907 post- en telegraafkantoren van de 7dö of 8ste klasse gevestigd waren, dat in 47 kantoren het aantal ambtenaren in die beide jaren even groot was, in 26 kantoren met één en slechts in 2 kantoren onderscheidenlijk met 2 en 3 toenam. Op eene grootere toeneming dan met één ambtenaar behoeft voor de kantoren der 7d0 en 89te klasse in het algemeen dus niet gerekend te worden.

Aldus is een beeld gegeven van het aantal ambtenaren, dat als regel in de kantoren der verschillende klassen, welke in het onderzoek zijn betrokken geworden, wordt aangetroffen en kan tevens een oordeel gevormd worden over de stabiliteit van deze cijfers. Thans zullen soort en aantal van de meubelen, gevorderd voor de richtige uitvoering van den dienst, zijn na te gaan.

Waar één ambtenaar naast den directeur werkzaam is, kunnen beide personen hunne bezigheden verrichten aan ééne tafel van 1.80 X 1-— M. Wel is waar zal het dan kunnen voorkomen, dat een van beiden in het kantoor niet het gezicht op het loket heeft, maar dit levert in de practijk geen bezwaar op. Op kantoren waar twee ambtenaren naast den directeur werkzaam zijn, behooren ten minste twee werktafels te worden aangetroffen, één voor den directeur en eene tweede voor de twee ambtenaren. Deze tafels worden öf naast elkander in het midden van het lokaal geplaatst, of wel één in het midden en de andere in de nabijheid van het loket. Als maximum-afmetingen voor elk dezer tafels, kunnen dan de maten van 1.50 X 0.80 M. worden aangenomen.

Vervolgens zal aanwezig moeten zijn eene triëerkast voor het sorteeren van de post, welke kast eene afmeting van ten hoogste 2.00 X 0.90 M. krijgt. Voor kantoren der 7do en 8ste klasse is eene geringere lengte, b. v. van 1.50 M., veelal voldoende.

Voorts zullen nog de volgende meubelen, van de daarbij vermelde, in normale gevallen aannemelijke afmetingen, in alle kantoren eene plaats moeten vinden: