is toegevoegd aan je favorieten.

Eindexamens der Hoogere Burgerscholen, 1866-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33. en H.V.

1883. No. 1.

Een lichaam zwaar 1000 K.G, heeft een beginselsnelheid van 100 M, en legt langs een horizontaal vlak een weg van 500 M. af. De wrijvingscoëfficiënt is y

Vervolgens botst het lichaam tegen een ander van 100 K.Q. gewicht, dat ligt aan den voet van een hellend vlak, waarvan de heilingshoek 30° bedraagt, en waarvan de doorsnede met het horizontale vlak loodrecht is op de richting der beweging van dit lichaam. Beide lichamen worden als volkomen veerkrachtig beschouwd-

Tot welke hoogte zal het tweede lichaam tegen de helling oploopen ?

De wrijvingscoëfficient is ook nu yt.

In nevenstaande figuur stelt AB den horizontalen weg ter lengte I = 500 Meter voor, doorloopen door een lichaam, zwaar G = 1000 K.G., dat in A eene beginsnelheid V„ — 100 Meter bezit. Noemen wij R de versnelling van de zwaartekracht, dan wordt de massa M. van dat lichaam

Q

voorgesteld door en stellen wij door * Voor de snelheid, waarmede

1 I P

het lichaam het punt B bereikt, dan is M. (vo 2 — v2) = (vo 2 — v2)

- g

de afname der kinetische energie van het lichaam bij het doorloopen van den weg AB. Op dien weg ondervond het lichaam een wrijvingsweerstand,

welke gelijk is aan het product van den wrijvingscoëfficient f = ^ en zijn

gewicht G. De arbeid van dien weerstand is dus fG X I, zoodat men heeft de betrekking:

2 (vo 2 - v2) = fül. waaruit volgt: v2 = v0 2 — 2 fGI.

Het punt B is de voet van een hellend vlak BI, dat een hoek oc = 30° met het horizontale vlak AB maakt en aan dien voet ligt een lichaam

p 1

waarvan het gewicht G1 = 100 K.G. en dus de massa door wordt

g

voorgesteld. Zoowel het lichaam, dat van A is uitgegaan, als het lichaam, dat zich oorspronkelijk in B bevindt, zijn volkomen veerkrachtig, terwijl wij veronderstellen, dat tengevolge van de botsing het lichaam dat in B ligt, tegen de helling oploopt, zonder daarbij door stooten tegen het hellend