is toegevoegd aan uw favorieten.

Eindexamens der Hoogere Burgerscholen, 1866-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACL, waaruit volgt dat ook |_ BAK is. Driehoek LAF is dus gelijkvormig met driehoek BAK en daar AL = ^ AB is, is ook AF = ^ AK.

Uit de betrekking G X AF — S X AK = 0 volgt dus S = ' O. De

spanning S in het koord BC is derhalve, omdat G = 30 K.G. is, gelijk 15 K.G. Ontbinden wij nu S in zijn twee Composanten, de eene S, verticaal, en de andere S, horizontaal gericht. Omdat van de rechthoekige driehoeken Sa BC en KCA de hoeken S, BS cd KCA aan elkaar gelijk zijn als verwisselende binnenhoeken, en die driehoeken dus gelijknamig zijn, heeft

CK A K

S' = ^ X S en Ss — ^ X S. Nu is, omdat driehoek BAC gelijkbeenig is,

|_ CBA = |_ CAB en zijn dus de rechthoekige driehoeken BKA en ALC

3

gelijkvormig, zoodat: BK ; AB AL: CA of BK : 3 = : 5, waaruit volgt: BK = 0.9 M., CK = BC — BK = 5-0.9 - 4.1 Meter en AK = J/ ABa - BK* =

1/ 9—0.81 — |X 8.09 = 2862 Meter. Men vindt dus: S, = ^ X S =

4 1 A K 9 Qfio

5 X 15 = 12.3 K.G. en S, ™ X S = °° X 15 - 8.580 K.G.

De algebraïsche som der projecties van de vijf krachten op eene verticale lijn gelijk nul stellende, komt men tot de betrekking: D -f- Si G — 0, of D — G — S, =30 — 12.3 = 17.7 K G. De drukking, welke het uiteinde A der staaf op het horizontale vlak MN uitoefent, is gelijk in grootte, doch tegengesteld in richting met de reactie D; de grootte van die drukking is dus 17.7 K.G.

De algebraïsche som van de projecties der vijf krachten op eene horizontale lijn gelijk nul stellende, vindt men P + fD — Sa = 0, of 1' S, — fD. Hierin is S, = 8.586 K.G. en, daar f = 0.2 is, fD = 0.2 X 17.7 = 3.54 K.G-, zoodat de kracht P, die in horizontale richting op het uiteinde A der staaf moet werken om het uitglijden er van te beletten is: 8.586 — 3.54 = 5046 K.G.

ü.

1901. No. 3

Over eene gladde horizontale pen hangt een koord. Aan het eene uiteinde van dit koord wordt een gewicht van 15 K.G. aan het andere uiteinde een gewicht van 10 K.G. opgehangen, beide op eene hoogte van 3 M. boven een horizontaal vlak.

Moe groot is, gedurende de beweging, de spanning van het koord?

Als 1 secunde na den aanvang der beweging het koord breekt, met welke snelheden vallen dan de gewichten op het horizontale vlak?

De versnelling der zwaartekracht worde op 10 M. gesteld.