is toegevoegd aan je favorieten.

Eindexamens der Hoogere Burgerscholen, 1866-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bt. en K.T3.

1906. No. 2.

Een lichaam valt vrij uit een punt A en treft in B een hellend vlak, waarvan de hellingshoek 30° is. Na de botsing, die volkomen veerkrachtig wordt ondersteld, treft het een horizontaal vlak in het punt C. Gevraagd wordt:

a. hoe groot is de horizontale afstand van A tot C? h. met welke snelheid en onder welken hoek treft het lichaam het horizontale vlak?

Gegeven is: AB = 45 meter; het punt P. ligt 8.75 meter boven het bedoelde horizontale vlak. De versnelling der zwaartekracht wordt gelijk 10 meter gesteld.

K

AB = 45 M. De snelheid v, waarmede het lichaam in B het hellend

vlak treft, vindt men uit: v = I 2 g X AB — 1/ 2 X X 45 30

Meter per sec. De botsing met liet hellend vlak in B is volkomen elastisch.

Is dus BE de loodlijn op het hellend vlak in B en dus |_ ABE = 30°, dan

is de invalshoek ABE gelijk aan den hoek van uitval EBF = 30°. Het

lichaam heeft dus na de botsing eene snelheid van 30 M. per sec., volgens

de richting BF. Die eindsnelheid ontbinden wij in eene verticale compo-

sante V = 15 en eene horizontale composante V — \5 V3. Nu is BD v n

= 8 75 = 83 M. Noemen wij t de tijd, waarin het lichaam van B tot C 4

komt, dan is: ^ gt2 — ^v t = BD of 5 ts — 15 tJ = 8 ^ of (2 t — 7)

(2 t + 1) = o, dus t = 3 ^ daar de negatieve wortel geen beteekenis

v wr- v, O 1

voor ons vraagstuk heeft. DC = h X t = 15 ' 3 /s 2 —

52.5 V 3 Meter.