is toegevoegd aan je favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//Ja, bij Wodan! dat wil ik," riep Charietto, terwijl hij van woede sidderend tegenover den bevelhebber stond. Ik weet waar zij zich morgen zullen bevinden , en langs een mij bekend pad, zal ik u en de uwen derwaarts leiden, zij zullen allen ongewapend zijn en zich baden, zoodat gij hen spoedig, zonder veel tegenstand te ontmoeten, zult kunnen overwinnen."

//En wie geeft mij zekerheid, Germaan! dat gij mij en mijn ruiterij in geen hinderlaag zoekt te brengen, en dat uw verraad niet geveinsd is?"

tflk, mijn woord "

,/Uw woord," riep Jovinius lachende, //het woord eens verraders, in der daad een schoone borg!"

„Verrader!" riep Charietto, als door den bliksem getrolfen, toen hij het woord verrader hoorde; want hoe ook zijn borst bedorven ware, zoo was nogtans het woord verrader hem als een dolksteek, dewijl de Germanen niets meer schuwden dan verraad, en niets verachtelijker in hun oogen was. „Verrader, nu ja, verrader ben ik," sprak Charietto somber, //maar gij wilt zeker zijn, Jovinius! dat ik u niet bedrieg. Welnu, bij het gebeente mijner vaderen zweer ik...."

«Houd op, hebt gij niet eens denzelfden eed aan uw Opperhoofd, dat gij thans verraadt, gedaan, uw eeden vertrouw ik dus niet."

//Welnu dan," riep Charietto, //met mijn leven blijf ik borg, dat ik u niet bedriegen zal."

//Het is wel," sprak Jovinius, //zie daar, en wanneer de onderneming gelukt, zal het dubbele van hetgeen zich hierin bevindt, uw belooning zijn." Dit zeggende wierp de bevelhebber den verrader een ruim voorziene beurs toe.

ACI1T EEUWEIS, 3