Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Zoo hoor dan," sprak de Bidder, zich weder nederzettende en nog eens als te voren zuchtojide. //Sedert ik Horsa gezien heb, ben ik geheel veranderd, wat er met mij is voorgevallen ben ik niet in staat te uiten, alles, wat ik zie, staat mij tegen, alles baart mij verveling, behalve zij. O, Engistus! nooit heb ik schooner meisje gezien, hoe bevallig is haar gelaat, hoe welluidend hare stem en hoe vlug haar gang. Ja ik gevoel, dat ik haar bemin, gaven de Goden, dat zij ook mij liefde konde toedragen!"

Op ditzelfde oogenblik hoorde men een luid hoorngeschal, ten teeken, dat de Ridder bij Ritsart aan tafel genoodigd werd. Terstond brak de Ridder zijn gesprek af, en spoedde zich, door zijn schildknaap gevolgd, naar de koninklijke hal.

De zaal leverde een niet onbehagelijk gezicht op; daar de avond reeds begon te vallen, waren langs de wanden een menigte fakkels geplaatst, waarachter gepolijste schilden hingen, die den glans van het licht verhoogden. Twee tafels in de lengte van de zaal geplaatst , sloten zoodanig aan elkander, dat de Koning en zijn voornaamste onderdanen op het verheven gedeelte des vloers zaten, terwijl de minderen in rang lager geplaatst waren.

Koning Ritsart wees den Ridder een plaats tusschen hem en zijn dochter aan, en aan de andere zijde des Konings zat de grijze Bard, terwijl Engistus aan het lagere gedeelte der tafel plaats vond.

Wat de gerechten betreft, deze bestonden voornamelijk uit beere-, herte- en stierevleesch, en waren meest allen aan het spit gebraden, terwijl jongelingen van twaalf tot veertien jaren de bekers des Konings en der

ACHT EEUWEN 11. (1