is toegevoegd aan je favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ilorsa had zich op een steenen bank voor het huis haars vaders nedergezet, en onderhield zich met het meisje, dat haar gevolgd was en Deda heette.

Zoodra de Ridder de Koningsdochter naderde, verwijderde zich Deda op eenigen afstand, zoodat Lem de gelegenheid had, zich met Horsa vrijelijk te onderhouden.

Na een buiging, die men tegenwoordig bespotten zoude, maar die in dien tijd al heel mooi \vas,zeidc hij: „Ik hoop niet, dat het onkiesche van mijn schildknaap u beleedigd heeft."

i/Geenszins, daarom heb ik mij verwijderd, voordat zulks gebeuren konde," gaf Horsa zeer gepast ten antwoord; want door alle eeuwen heen, schijnt de kunst om gepast antwoord te geven, alleen de eigendom der bekoorlijke sekse te zijn.

«Indien hij u ook beleedigd hadde, schoone Ilorsa!" riep de Ridder, zich naast het meisje plaatsende, //zoude hij zulks ondervonden hebben, en deze heiligschennis zoude ik vreeselijk hebben gestraft."

//Heiligschennis," sprak Horsa, //waarlijk gij schijnt mij weder, even als dezen morgen, tot den rang der Godinnen te willen verheffen."

//Dat komt," sprak de Ridder, //omdat ik u vereer, zooals ik zulks de onsterfelijke Goden doe. Ja, Horsa! schoon aanbiddelijk meisje! ik bemin u, zooals nog niemand bemind kan hebben. Zoudt gij ook mij kunnen beminnen?"

Het meisje antwoordde niet, maar sloeg blozend de oogen neder.

,/Horsa!" riep de Ridder, //mijn eeuwig geliefde!"

//Ridder Lem!'' sprak het meisje, //ook ik bemin u,...doch een vurige kus sloot haar den mond ,