is toegevoegd aan je favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Zooals t gaat, kwam ik dan op zulk een tocht in Utrecht, en daar ik juist niets om handen had, was ik zeer bereid, toen men mij er een dienst aanbood, en zeide goedschiks amen op ieder voorstel. Mijn nieuwe heer was niet rijk, maar hij gaf ook niet veel te doen; hij was zoo verliefd, dat hij zich om niemand buiten zijn liefste bekommerde, en mooier meisje heb ik ook nooit gezien, dat moet waar blijven. Ik had dus niets tegen de zaak; jonge menschen moeten wat genieten, dacht ik, en zelf was ik ook jong; dat mijn edelman zulk een knap burgervriendinnetje had, leek mij dus zoo erg niet; maar daar op eens, wat zegt hij?'ik wil trouwen, — zegt hij. Nu: ik schrikte en vroeg: toch niet met een burgerdeerne?en waarlijk het was zoo, zij had hem betooverd, er viel niets aan te doen. Ik mocht goed preeken, dat perziken en boeren pruimen niet in eene mand hoorden, hij bleef er bij en ik moest hem helpen." «Waaraan moest ge hem helpen?"

»Wel, zij was eigenlijk voor een ander bestemd, iemand dien zij niet nemen wilde, geloof ik; het rechte heb ik nooit van de zaak gehoord, maar kort en goed, op zekeren nacht pakten wij op, en ik vond het maar beter mij na dien tijd nooit weer in Utrecht te vertoonen."

»Gij hadt haar dus geschaakt?"

»Ja; dat heet: zij liet zich schaken, want zij was het met mijn meester eens. Wij gingen de grens over, en in «le eerste de beste keik had liet huwelijk plaats; een paar vreemde boerenlumniels en ik waren de getuigen. Fraai, niet waar? en toch was mijn heer zoo trotsch een edelman, waar zijn liefde niet in 't spel kwam, als er ooit een geweest is."

Heinout maakte een ongeduldige beweging. »Hoe heette dat burgermeisje?" vroeg hij.

«Johanna Hovène."

Meerwoude's aandacht was thans geheel bij het verhaal. Die naam klonk hem zoo bekend; had hij dien niet van Edward gehoord? Zeker, zoo had zijn moeder geheeten; zou er een samenhang tusschen Melville en den graaf bestaan? »En hoe ging het verder?" vroeg liij.

»Wel, zooals het gaan moest: eerst natuurlijk alles genegenheid, zij was een engel, het was jammer dat ze maar niet in allen ernst naar den hemel kon, ze zou het er beter gehad hebben dan hier, en toen nu, toen keerde het blaadje om. Ik was al eenigen tijd weg, want wie houdt het bij zulk een verliefd paar uit? — daar staat op' eens mijn edelman voor mij, maar geheel veranderd. Zijn blik was zoo strak, dat ik er van ontstelde. ,Gij hebt gelijk gehad,' zeide hij, ik kon als edelman met geen burgermeisje trouwen.' ,Het is jammer,'