is toegevoegd aan je favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk, dat zij in een zaak van zoo groot gewicht met meer dan gewoon overleg te werk ging.

Er zijn gezichten, die men in beweging wil zien, en daaronder behoorde zoo ook dat van Silvia. Als zij volkomen roerloos voor zich uitstaarde, trof den beschouwer iets koels in die trekken. Het scheen in zulke oogenblikken alsof, ondanks de bloeiende frischheid van dit gelaat, er toch een dorheid in het jonge hart moest zijn, die er haar uitdrukking aan gaf; een warm gevoel, zoo dacht men onwillekeurig, was nooit bezielend over deze koude lijnen gegaan, want koud waren ze, zoodra de kleine, frissche mond niet schertste, en de donkere oogen zich achter hun wimpers verborgen. Zij mocht al de schoonheid, al de prikkelende levendigheid van toon en gebaren, die haar aanbidders bewonderden, uit haar zuidelijk vaderland hebben meegebracht, de warmte der zuidelijke natuur kleurde haar wangen nooit met vuriger blos, zelfs nu niet, nu gedachten haar vervulden, die gewoonlijk het bedaardste hart sneller doen kloppen.

Ook niet de kleinste trek van spanning, van schuwe, voor zich zelf blozende verwachting was op dit gelaat te zien, en toch had zij Edward den vorigen avond vrijheid tot een bezoek gegeven, waarvan zij de beteekenis zeer wel vatte, toch was het geen ongunstig antwoord waarover zij peinsde. Het moest een bijzonder geduldige liefde wezen, die zoo volkomen kalm op het oogenblik der verklaring kon wachten; ja misschien was zij bedaarder, dan de jonge man, had hij haar kunnen bespieden, met blijdschap zou hebben waargenomen. Silvia hield niet van gemoedsbewegingen, zij onderdrukte die altijd zorgvuldig, en ook thans slaagde zij daarin; alleen toen haar blik op den spiegel tegenover haar viel, vertoonden haar trekken vluchtig een levendiger uitdrukking, eene van onmiskenbare zegepraal, van zelfbewuste bewondering. Zij schikte de donkere krullen nog iets vaster in den roodlluweelen band, die ze belette al te vrij om de bevallige trekken te zwieren, en plooide den met goud doorstikten kraag nog iets verder open, opdat men de sierlijke vormen van den ontblooten hals beter zou kunnen opmerken, — zij scheen niet zoo in haar bespiegelingen verdiept, of zij had nog een zeer scherpen blik voor al wat den indruk harer bekoorlijkheid kon verhoogen.

Trouwens, hoe kon zij die ooit vergeten? Wat was haar jong leven anders geweest dan een geschiedenis van veroveringen, die haar schoonheid had gemaakt? Welk woord kende zij zoo in alle vormen als het woord: bewondering? In het huis van haar vader was zij de kleine koningin, die deed gelijk wij menschen tegenover de bijen doen; als de honig verzameld was, had zij dien verteerd.