is toegevoegd aan uw favorieten.

Jodocus Lodensteyn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JODOCUS LODENSTEYN.

Indien wij bij de poëzie van Jodocus Lodensteyn een korte inleiding schrijven, kunnen wij niet volstaan met alleen te wijzen op de literaire kwaliteiten van dezen zeventiende-eeuwschen dichter. En deze kwaliteiten zijn velen.

Lodensteyn zelf zou dit prijzen van zijn talent als een „heidensche trek" hebben beschouwd, omdat hij niet een dichter was om der schoonheid wille, doch om van zijn geloof te getuigen. Waarvan hij zegt:

Des nachts een tente zoele,

des daags een wolke koele,

een glans in duisterheid —

die m' in 's levens paden leidt.

Lodensteyn was piëtist, groeide op en leefde in een tijd, waarin het geloofsleven bewogen werd door allerlei stroomingen.

Het Christendom vertakte zich sinds de 16e eeuw hier te lande in allerlei sectarismen en groepen, die elkaar bestreden en verdrongen. Reformateurs en piëtisten waren twee belangrijke partijen geloofsbelijders, van welke tweede groepeering Lodensteyn in zekeren zin de vertegenwoordiger was. Het zou te ver voeren een breed beeld te geven van dit op godsdienstig gebied zoo gecompliceerd en sterk wisselende leven. Maar wij kunnen hier slechts constateeren, dat het geheele oeuvre van Lodensteyn doortrokken is van dit piëtisme, of beter gezegd: doorgloeid. Want Lodensteyn was een bezield en bezielend dichter, wiens heilig vuur in al zijn verzen hoog opvlamt en knettert.

Wie het wezen van zijn geloof niet begrijpt, zal zijn verzen moeilijk verstaan. Ja, hij zal zelfs geneigd zijn te meenen, dat deze dichter de dupe is geweest van zijn hemelsch heimwee.

Hij zal zijn stugge en strenge boetpredicaties tegen de ijdelheid, de zonden des vleesches, bijna als overdreven gaan beschouwen. Sprak hier een kloosterling of sprak hier een zoon der schoonheid? Het is of nu en dan zijn vermaningen tegen de zonden der jeugd en de wuftheid zijn te boek gesteld tusschen de kale wanden van het klooster te Groenendael.