Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1903 gelukte het aan Metchnikoff en Roux de ziekte experimenteel op apen over te brengen. In 1905 ontdekte Schaudinn de spirochaete pallida in het prikkelserum, terwijl hij met een onderzoek in andere richting bezig was, dus betrekkelijk toevallig. Reeds vroeger was de spirochaete door B o r d e t en G e n g o u gezien, maar zij hadden aan hun waarneming geen beteekenis gehecht. Wassermann beschreef in 1907 de complementbindingsreactie met de bloedwei, die vooral voor de diagnose in het latente tijdperk groote beteekenis heeft verkregen. Drie jaar later kwam daarop E h r 1 i c h als grondvester der chemotherapie met het 606e praeparaat. Al zijn ook de leemten in onze kennis van de biologie der spirochaete pallida nog groot, vooruitgegaan zijn wij wel, sedert Bertarelli en Uhlenh u t h er in zijn geslaagd de syphilis op konijnen te enten ; de reincultuur is gelukt en het is gebleken, dat het bloed in alle tijdperken der syphilis, ook het latente, infectieus zijn kan. De spirochaeten zijn reeds 5—6 weken na de besmetting, dus in de seronegatieve periode in het bloed aantoonbaar en ook bij lijders aan tabes en dementia paralytica heeft men ze daar aangetroffen; in den liquor cerebro-spinalis vindt men ze na 8—10 weken, terwijl ook met de melk van zwangeren en kraamvrouwen de proefondervindelijke besmetting gelukt is.

Talrijk zijn intusschen de vraagstukken, die op oplossing wachten; de plaats van de spirochaete in het stelsel der microorganismen is nog niet bepaald, de wijze van voortplanting is onbekend. De kwestie, of men een virus nerveux mag aannemen of wel te doen kan hebben met spirochaeten, die door het menschelijk organisme van aard veranderd zijn, is nog onopgelost. De verschijnselen der gewijzigde vatbaarheid en van de hiermede gepaard gaande veranderingen in de wederwerking, die men onder den naam allergie samenvat eischen voortgezet onderzoek.

Na deze beknopte uiteenzetting van het wezen der geslachtsziekten komt nu het vraagstuk van de doelmatige bestrijding dier ziekten aan de orde en hoewel een grondige bespreking van de sociale en niet-medische middelen tot bestrijding hier niet tot haar volle recht kan komen door den beperkten tijd, is het toch geoorloofd om in vogelvlucht de uitkomsten van nauwgezette overweging in het kort aan uwe aandacht te onderwerpen. Al dadelijk laat zich het heuchelijke feit vaststellen, dat de voorstanders van de sociaal-ethische bestrijding dezer kategorie van ziekten al nader zijn gekomen tot het inzicht, dat in deze de behandeling, dus de zuiver medische maatregelen de meeste waarborg opleveren voor

Sluiten