Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der portio en cervix. Adenocarcinomen van het corpus uteri zijn echter zeer stralengevoelig.

Kehrer (52), die een dergelijk onderzoek over 150 gevallen deed, verkreeg dezelfde resultaten. Hij ging echter ook na, welke radiumdosis bij verschillenden microscopischen bouw noodig was om het carcinoom te doen verdwijnen. Hierbij vond hij, wat betreft het plaatcelcarcinoom vrij wel een constante; voor het carcinoma solidum liep deze echter nogal uiteen; de gemiddelde dosis was echter kleiner dan die voor de plaatcelcarcinomen.

Adler beschouwt echter ook van invloed op de radiosensibiliteit de hoeveelheid bindweefsel en den vaatrijkdom van den tumor. Zoo vond hij den bindweefselrijken, scirrheusen vorm het meest radiosensibel. Bumm en schafer (50) vonden daarentegen juist het medullaircarcinoom het meest stralengevoelig. Wanneer er werkelijk een aanmerkelijk verschil in stralengevoeligheid der verschillende carcinoomvormen bestaat, zal men hiermee in de stralentherapie ook rekening moeten houden en zal men nog meer, wat betreft de bestralingsdosis, ieder geval afzonderlijk moeten beschouwen.

5. Leeftijd der patienten. Wij hebben wel eenigszins den indruk gekregen, dat bij jongere patienten minder goede resultaten bereikt werden, maar een werkelijke gevolgtrekking is ook hieruit niet te maken. Van onze patienten, welke inoperabel waren en thans goed zijn, was er geen enkele onder de 40 jaar. Hiertegenover staat echter, dat het operabele geval, wat alleen bestraald werd (Z. G. 685) bij het begin der behandeling 32 jaar was.

In de literatuur zijn de meeningen ook hierover weer verdeeld. 'Zoo vond Heyman (51), dat bij jongere patienten de tumor slechter reageerde; von Seuffert (43) vond geen verschil in reactie bij jongere of oudere patienten.

Uit dit alles blijkt dus wel, dat het voorloopig nog heel moeilijk te zeggen valt, waarom in het eene geval zooveel beter resultaten bereikt worden, dan in het andere.

Sluiten