Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen, pas geborenen en foeten, maar ook bij apen, honden, katten, varkens, hoenders, muizen, kikvorschen, kortom bij al hetgeen ik grondig heb onderzocht. Moet ik hem nu een vena of een arterie noemen? Bloed trof ik er nimmer in aan, alleen een troebel sap, dat op de zilveren sonde inwerkte als een etsende vloeistof. Dit zijn feiten; maar omdat ik niet weet wat het is en welk nut en welke functie hij heeft, onderwerp ik dit deemoedig aan Uw onderzoek en oordeel, vol vertrouwen dat, mocht U zich eenmaal een oordeel gevormd hebben, U dit in Uwe gewone vriendelijkheid en goedheid wel aan mij zult willen meedeelen, eensdeels opdat de waarheid welke U steeds zoo onverschrokken leeraarde, aan het licht treede, deels ook opdat ik daardoor in staat worde gesteld de roem van Uw naam nog te vermeerderen. Dit beloof ik te zullen doen, zoolang mijne handen welke door U geoefend zijn, het mes nog weten te hanteeren. Meer schrijf ik niet. Vaarwel en blijf Uw vroegeren leerling liefhebben."

Riolanus vind Wirsüng's ontdekking bewonderenswaardig en ook Veslingius 6), bij wien Wirsüng het ambt bekleede van prosector, beschrijft, hoe de geleerden in Padua de demonstratie van het gevondene met verbaasde oogen volgden. Onder hen behoorde ook de latere Kopenhaagsche hoogleeraar Bartholinus 7). Negtn jaren later, in 1651, geeft deze een meergedetailleerde beschrijving van het pancreas. Een soort samenvatting van de verschillende meeningen zijner tijdgenooten legde Swalwe 8) neer in een werk, dat in 1677 verscheen.

De eerste groote stap vooruit in de kennis van het pancreas, sinds Wirsüng's ontdekking, was feitelijk, en ik vermeld het met een tikje vaderlandschen trots, het bekende werk van Regnerus de Graaf, 9) een werk, verschenen in 1663 en drie jaren later reeds in derden herdruk, waaronder een fransche vertaling, uitgekomen. Als een proeve van ontwikkeling der anatomie in dien tijd, verwijs ik naar fig. 1 met de afbeeldingen volgens Wirsüng en de nauwelijks twintig jaren later vervaardigde fig. 2, welke werd opgenomen in het werk van de Graaf.

Aangemoedigd door zijn leermeester, Franciscus de le Boë Sylvius stelde de Graaf zijn opmerkenswaardige onderzoekingen en beschouwingen te boek. Het geheel is verdeeld in elf hoofd-

Sluiten