Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

critici te voeren had. Maar hij hield vol en in 1856 legde een tweede Mémoire 23) getuigenis af van dat moeizame, exacte onderzoek dat de alvleeschklier opnieuw en nu dwingend en met groote overtuiging ophief uit de vergetelheid en de buitengewone beteekenis ervan voor de leer der stofwisseling helder ging belichten. Wat tot dien tijd zoo velen nog hadden gemeend, dat pancreassap vrijwel identieke eigenschappen had met het speeksel, bleek niet langer waar. En weldra, de een na de ander, bevestigden de physiologen de groote vondst, dat het pancreassap door zijn verschillende fermenten in staat was om zetmeel in suiker te splitsen, vetten in vetzuren en glycerine om te zetten en ook eiwitten gedeeltelijk vermocht op te lossen, dus invloed bleek te bezitten op de drie voorname soorten van onze voedingsstoffen.

Het ph3rsiologische tijdperk was hiermede aangebroken. Hoedanig dit tijdperk indruk maakte op de beoefenaren van andere takken der wetenschap, blijkt genoegzaam uit de klacht, neergeschreven door een promovendus in diens Inaugural-Dissertation : „Es giebt in der That kaum ein zweites Organ, bei dem die glanzenden Resultate der pliysiologischen Forschung in einem so grellen Contrast stehen zu der vollkommenen Dunkelheit, welche auf dem gebiete der anatomischen Kentnisse herrscht. .." Die promotie geschiedde aan de Friedrich-Wilhelm-Universiteit te Berlijn, den 18en Februari 1869. De nog geen twee-en-twintigjarige jonge doctor zal niet hebben kunnen vermoeden, hoe het zuiver beschrijvende en overigens weinig beteekenende proefschrift zijn naam een historische beteekenis zou verleenen; immers, wat Paul Langerhans 24) opviel in zijn „Beitrage zur mikroskopischen Anatomie der Bauchspeicheldrüse . . ." „Kleine Zeilen von meist ganz homogenem Inhalt und polygonaler Form mit rundem Kern ohne Kernkörperchen, meist zu zweien oder zu kleinen Gruppen beisammen liegend . . . ihre Durchmesser betragen 0,0096 bis 0,012 Millimeter, die des Kernes 0,0075 bis 0,008 ... zu rundlichen Hauflein geschaart, in regelmassigen Abstanden im Parenchym (im alten Sinne des Wortes) der Drüse vertheilt. Ihre Hauflein zeigen meist einen Durchmesser von 0,1 bis 0,24 Milli-

Sluiten