Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die Funktionsschwache des pankreaiischen Inselsystems und die dadurch bedingte Zügellosigkeit der Zuckerbildung in der Leber ist als die einzige beherrschende Bedingung des chronischen Diabetes anzusehen".

Een opvallende uitspraak van Brugsch, 65) bij pancreasdiabetes van een hond ziet men nooit pathologische acidose, pancreasdiabetes is slechts een zuivere koolhydraatstofwisselingsstoornis . . . „finden wir einen Diabetes mellitus, und zwar die schwere Form mit hochgradiger Acidosis kombiniert, so spricht dieser Befund nach allen unseren bisherigen Erfahrungen gegen einen Pankreasdiabetes" . .. bracht nieuwe onderzoekingen. Brugsch en Bamberg ö0) herhaalden deze meening en ook Mohr 67) is op grond van zijn ervaringen van gedachte, dat de stofwisselingsstoornis bij de diabetes van den mensch principieel verschilt van die, welke bij dieren ontstaat door het wegnemen van het pancreas.

Toch had Minkowski reeds destijds, zij het dan ook niet regelmatig, aceton, diaceetzuur en /3. oxyboterzuur in de urine van pancreaslooze honden aangetroffen. Allard 68) kwam op grond van vele onderzoekingen eveneens tot het resultat „dasz diese Substanzen doch nicht so selten sich finden, wie man bisher angenommen bat". Positieve vondsten had hij steeds bij die dieren waarbij het pancreas totaal was weggenomen, terwijl bij gedeeltelijke extirpatie de acidose steeds werd vermist. Ik moet mij in dit opzicht geheel bij Allard aansluiten; ook mijn proefdier had een zeer aanzienlijke acidose en ging te gronde met verschijnselen van het bekende coma diabeticum. Dat toch niet altijd deze acidose dan wordt aangetroffen, kan men met behulp der proeven van Embden en Lattes e9) en van Emden en Michaud 69) wel verklaren. Zij toch vonden, hoe de lever, trouwens ook orgaanpappen van nieren, spierweefsel en milt, een zeer sterk diaceetzuurverwoestende eigenschap heeft en in geringere mate ook wel aceton kan doen uiteenvallen. De acidose-lichamen zullen derhalve in de urine kunnen verschijnen, wanneer de lever en misschien ook andere parenchymateuse organen zoodanig hebben geleden, dat een verdere afbraak dier lichamen niet meer mogelijk is; in het algemeen dus bij die

Sluiten