Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

functie, is nog niet met zekerheid te beslissen. Anderen 89) vonden dat pancreasextirpatie bij honden een sterk verhoogde vetverbranding in de stofwisseling tengevolge had en besloten ook daaruit tot een interne afscheiding \an het pancreas welke dan normaliter die vetverbranding zou remmen. Waarnemingen van Brugsch <j0) bij een vijftiental pancreaspatiënten deden uitkomen hoe het resorptieverlies aan vet 64,6 % bedroeg bij pancreasziekten zonder icterus, 72,2 % bij die gevallen waarbij tevens een lichte icterus aanwezig was — dus met een onvolledigen galafvloed — en 87,0 °/n bij pancreasziekten met een volledige afsluiting van de gal. Geheel in overeenstemming hiermee zijn de observaties van Deucher.

Reeds hoogerop heb ik aangestipt de onderzoekingen over het pancreas en zijn afscheiding bij den mensch, in verschillende toestanden, bij verschillende dieeten. Ik zal hier later (hoofdstuk V) nog op terug komen. Het korte, krachtige „c'est l'aliment qui fait le ferment" van Brocard 91) is in zijn algemeenheid wellicht minder juist, maar toch is trots de nog al afwijkende resultaten der onderzoekers een invloed op de hoeveelheid van het pancreassap van een bepaald soort voedsel niet heelemaal te verwerpen. Dit is volgens onderzoekingen van Stepp 92) wel zeker, dat een goed werkend maagsap met vrij zoutzuur een uitstekende prikkel voor de pancreassecretie is, terwijl bij toestanden van achylie in ieder geval een gewichtig stimulans daarvoor uitvalt.

Ook de patholoog-anatomische en histologische aerae hebben hunne data die de geschiedenis markeeren. Reeds maakte ik opmerkzaam op de toevallige vondsten bij het pancreas in de zeventiende eeuw. Hier en daar in deze schets stipte ik ook reeds met een enkel woord andere vermeldenswaardigheden op dit terrein aan. Opzien baarde in 1882 een artikel van Balser93) „über die Fettnekrose, eine zuweilen tödliche Krankheit des Menschen", een macroscopische en microscopische beschrijving van bij vijf patienten gevonden kleine punt- tot speldenknopgroote „opake, gelbweisse, auf der Schnittflache meist ovale Herde im Fettgewebe, von denen sich die grosseren dadurch auszeichnen,

Sluiten