Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„jugeé, malgré tout le bruit fait autour d'elle" voegt Faroy133) hier kort maar juist aan toe. Umber noemt zelfs den naam niet meer en K. A. Heiberg schrijft er over: „Ich will michjedoch nicht damit abgeben, dem stiirzenden Wagen nocli einen Stosz zu geben", en Strümpell: „Die praktische Bedeutung ist gering." Daarom is het wel merkwaardig, dat hier te lande de reactie als panereasdiagnosticum door sommigen minder scherpe afkeuring heeft gevonden. Pel134) scheen haar, blijkens zijn herhaaldelijk noemen bij de diagnostiek van de lever t. o. z. van het pancreas, nog al te waardeeren. Van Hoogenhuyze 135), die de reactie beproefde in de Utrechtsche chirurgische klinieken, meent de opvattingen van Cammidge te mogen bevestigen. Ook in een later onderzoek te samen met Nagasaki, is hij van meening gebleven dat „de genoemde proef, mits goed en onder eenige bijzondere voorzorgsmaatregelen uitgevoerd, zeer nuttig kan zijn." Steunende wellicht op deze en andere onderzoekingen der Utrechtsche hoogeschool, heeft ook Laméris 136) nog in 1919 het nut der reactie trachten ingang te doen vinden. Daarbij baseert hij zich echter tevens op minder stevige bewijzen. Want zooals reeds heel even werd aangestipt, een eventueel aanwezige grootere vastheid voor het palpatiegevoel is nog geenszins een bewijs voor een echte pancreasafwijking.

Mijn eigen ervaringen met de cammidge-reactie zijn als volgt. Een positief resultaat werd verkregen bij de meesten mijner pancreaslijders; slechts twee maakten een uitzondering en wel een acute pancreatitis, en een carcinoom van den kop van het pancreas. Maar bovendien werd ook een positief resultaat verkregen bij willekeurig genomen patienten, bij wie geen enkele pancreasafwijking niet alleen klinisch maar ook in sommigen gevallen later bij de autopsie kon worden gediagnosticeerd. Daarom ben ook ik van meening, dat deze reactie, althans voorloopig, van geenerlei waarde is voor de opsporing van pancreasafwijkingen.

Theoretisch is zij echter wel interessant. Blijkens onderzoekingen gedaan in het physiologisch laboratorium der Utrechtsche hoogeschool door Pekelharing en van Hoogenhuijze 13') berust de

Sluiten