Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

Toen Fokke Meursing in 1918 zijn bijdrage tot de kennis van het senium publiceerde*), trok dat gedeelte zijner beschouwingen, dat betrekking had op het voorkomen van galsteenen bij oude menschen, onze aandacht. Men was algemeen gewend aan het denkbeeld, dat galsteenen, hoewel niet uitsluitend, dan toch in overwegende mate bij de vrouw voorkwamen; niet alleen die galsteenen, welke tot de galsteenziekte aanleiding gaven, maar ook de z.g. latente galsteenen, welke eerst bij de obductie als een toevallige vondst werden aangetroffen.

De conclusies, waartoe Fokke Meursing kwam, na het onderzoek van ong. 4000 cadavers in het path. anat. instituut in hetBinnen-Gasthuis alhier, waren zeer merkwaardig. Uit zijne gegevens *) bleek nam. het volgende: van 2335 mannelijke cadavers tot en met 70 jaar vond hij bij 89, d. i. bij 3.8 %, galsteenen; van 1444 vrouwelijke cadavers tot en met 70 jaar vond hij bij 228 galsteenen, d. i. bij ong. 16%. Van 328 mannelijke cadavers tusschen 70 en 80 jaar hadden 30, d. i. ruim 9%, galsteenen; van 294 vrouwelijke cadavers van 70 tot 80 jaar werd 98 maal, d. i. bij ruim 33 °/o, galsteenen gevonden. In het 9e decennium vond hij bij 74 secties

*) De getallen van de verschillende leeftijden zijn m. i. voldoende vergelijkbaar, hoewel beide categorieën niet over een even groot aantal loopen.

i) N. T. v. G. 1918 I.

D. 1

Sluiten