Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeven achtereenvolgende dagen, de gal, welke uit een galfistel werd opgevangen bij een, wegens cholelithiasis geopereerden patiënt. Om uit te maken of het chol. van het voedsel in de gal overgaat, kreeg de patiënt den 4en dag, in plaats van de gewone gasthuisvoeding, drie porties ei plus hersenen, dus eene aan chol. rijke voeding. Van eene vermeerdering van het chol. in de gal bleek hierbij niets; de hoeveelheid was zelfs zeer gering, zij wisselde tusschen 0.02 en 0.15%. De hoeveelheid uitgescheiden galzuur was daarentegen 5 tot 8 maal zoo groot; zij bedroeg in de eerste drie dagen 0.05 tot 0.07 % en 0.24 tot 0.55 % in de laatste vier dagen. Jammer is het, dat ook deze schrijvers alleen de hoeveelheden in percenten aangeven en niet de absolute hoeveelheid uitgescheiden chol. en galzuurzouten. Ook kan men, daar de faeces niet onderzocht werden, niet controleeren of de galfistel compleet was of niet. In hoever die gevonden vermeerdering van de galzuur-afscheiding een steun is voor de nieuwere opvatting, dat tusschen chol. en galzuur een nauw verband bestaat, en wel dat de galzuren uit het cholesterine ontstaan, is door dit ééne geval niet uit te maken, te minder, waar hier, evenals bij onze eigen patiënten, het bestaan eener pathologische stofwisseling, waarschijnlijk is. De kans om deze stofwisseling bij normale menschen na te gaan, is zeer gering. Onderzoekingen door Windaus1) ingesteld, geven een belangrijken steun aan het vermoeden, dat het galzuur uit het cholesterine ontstaat. Onderzoekingen zoowel in het serum als in de gal bij den zelfden patiënt werden, voor zoover ons bekend is, niet gedaan.

!) Ber. d. Chem. Gesellsch. 1908. 41.

Sluiten