Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TABEL VIII. PATIËNT I.

Hoeveelheid afgescheiden cholesterine in gal en in serum.

Hoeveelh. chol. p. L. gal. Tot. hoev. Hoev.

Hoeveelh.

gal ie 2e Ge- chol. in chol. per Voeding.

Bepaling. Bepaling, middelde. 24 uur. L. serum.

leDas 330 C.C. 1400 1450 1425 mKr- 470 mBr- Pap en melk

2e „ 210 „ 1300 1400 1350 „ 283.5 „

3e „ 240 „ 2350 2250 2300 552

4e „ 270 „ 2220 2520 2370 „ 639.9 „

5e „ 175 „ 1900 2100 2000 350

6e „ 295 „ 1350 1450 1400 413

7e „ 370 „ 2700 2650 2675 990

8e „ 270 „ 1650 1550 1600 „ 432 „ Extra-eten*)

9e „ 320 „ 1850 1850 1850 „ 592 „ 1145 mgr.

/1080\

\1210/

10e „ 325 „ 2000 1950 1975 „ 650 „ en 60 gr.

levertraan

11e „ 225 „ 1400 1580 1490 „ 335

12e „ 360 „ 1930 1950 1940 698 ^

13e „ 340 „ 1500 1400 1450 493

14e „ 170 „ 1870 1700 1785 „ 303.4 „ "

/1350\

\1420/

15e „ 350 „ 2420 2560 2490 „ 871.5 „ 1385 mgr.

*) Extra eten d.w.z.: eieren, boter, kaas, groenten, brood, vleesch.

Den 9en dag, toen patiënt begonnen was extra-eten te ne¬

men, werd venae-punctie verricht, ten einde het chol.-gehalte van het serum te bepalen; dit bleek 1145 mgr. per Liter te bedragen, als gemiddelde van twee bepalingen. Aan het einde van den laatsten dag werd met hetzelfde doel eene venaepunctie verricht, toen bleek het serum 1385 mgr. chol. per Liter te bevatten, eveneens het gemiddelde uit twee bepalingen.

Sluiten