Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het lipoid-getal voor dat der cholesterine. Het laatste zou immers de indicator zijn van het eerste. Een verband tusschen het lipoid-gehalte van het bloed en het eiwitgehalte van de urine werd door hen niet gevonden, maar nadere klinische gegevens omtrent den aard der nieraandoeningen werden door hen niet gegeven. De hoogste waarden voor het lipoid-gehalte werden door hen gevonden bij een geval van „luetische nephritis", maar ook van dit geval worden geen nadere bijzonderheden medegedeeld, en bij eene chronische parenchymateuse nephritis metretinitis albuminurica, die neiging vertoonde in schrompeling over te gaan. Deze schrijvers willen de Iipoidaemie van de lijders aan nephritis toeschrijven aan eene slechte uitscheiding der lipoiden door de nier. Ook denken zij aan een uitstorting in het bloed van de in de nier gevormde lipoide stoffen.

Behalve op de hierboven genoemde stoffen werd in de latere jaren de aandacht der klinici gevestigd op nog andere in de urine voorkomende stoffen en wel door Munk !), die het eerst wees op het- voorkomen van dubbelbreken.de stoffen daarin. In normale urine komen zoo goed als geen dubbelbrekende stoffen voor, maar in pathologische urines dikwijls wel; het aantoonen en het verklaren van de beteekenis daarvan geschiedt echter gewoonlijk in de klinische laboratoria niet. Meestal wordt daar slechts bij de z.g, lipurie of chylurie eenige waarde gehecht aan het voorkomen der vettige bestanddeelen, maar voor de nierpathologie hebben deze slechts weinig belang, daar de oorzaak hierbij meestal in het bloed gelegen is of in zeld zamere gevallen in vervallende tumoren van de lagere urine-wegen. De vetdeeltjes, die uit het nier-parenchym

J) Zeitschr. f. klin. Med. Bd. 78.

D. 5

Sluiten