Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

Den 18den September 1919 werd een man van zes en vijftig

jaar, Gr. B , in het Academisch Ziekenhuis te Leiden

opgenomen, met verschijnselen, die op ileus wezen. Uit de anamnese bleek, dat hij vroeger reeds meermalen in genoemde inrichting was verpleegd, o. a. in 1914 wegens papilla alba (neuro-retinitis), en later nogmaals wegens fractura calcaneï en traumata capitis et renis.

Bij de operatie, die op den drie en twintigsten September 1919 door Prof. Dr. J. H. Zaayer werd verricht, bleek de beklemming door strengen in de buikholte veroorzaakt te zijn. Deze werden gekliefd, en na appendectomie een coecumfistel aangelegd. De algemeene toestand van den patiënt verbeterde na deze ingrijping belangrijk, doch zijn lichaamstemperatuur bleef te hoog. Als oorzaak hiervan werd een leverabsces aangetoond, hetwelk operatief werd behandeld.

De daaruit verkregen etter, welke door mij in het Laboratorium voor Vergelijkende Pathologie werd onderzocht, leverde na enting op agar en in bouillon, een reincultuur van sterk bewegelijke bacteriën, welke tot het geslacht Vibrio bleken te behooren.

Het bloedserum van den patiënt agglutineerde een suspensie eener achttien-uur-oude agar-cultuur in physiologische zoutoplossing, tot in een verdunning van 1:800, terwijl normaal menschenserum deze suspensie niet agglutineerde.

Sluiten