Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Vormeigenschappen, bewegelijkheid en verhouding tegenover kleurstoffen.

In versche culturen, hetzij in bouillon, dan wel op agar, is de meest voorkomende vorm „de „komma". De afmetingen wisselen sterk, en verschillen niet van die van den cholerabacil, d. w. z. 1,5 tot 2,5 mikron lang, en ongeveer 0,6 mikron breed.

Een hoogst enkele maal zijn de gebogen vormen in zeer jonge culturen tot een spiril vereenigd; in preparaten uit het dierlijk lichaam zag ik dit nooit.

Meer of minder gebogen staafjes vormen den overgang tot korte, bipolair-gekleurde exemplaren, en zeer kleine, haast coccen gelijkende vormen. Korte staafjes vereenigen zich een enkele maal schijnbaar tot een draad.

In het onderhuidsche oedeem, bij door den vibrio gedoode duiven, zijn haast alle bacteriën wat grover, en vertoonen vrij groote vacuolen, terwijl sommige rechte staafjes, na kleuring door fuchsine, een zwart puntje te zien geven, waarvan de beteekenis mij ontgaat, doch dat veel overeenkomst vertoont met Zetnow's chromatinekorrels (24).

Toen een cultuur in bouillon, na acht maanden in de ijskast in een toegesmolten buis te zijn bewaard, in bouillon werd overgeënt, bleek de cultuur nog levend, en waren alle vormen, komma's, staafjes en cocco-bacillen nog aanwezig.

In het bloed van duiven en caviae zijn dikke, vrij korte staafjes, die vaak twee aan twee in eikaars verlengde liggen, regel.

JSen kapsel werd nimmer waargenomen, ook niet na toe-

Sluiten