Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Macroscopisch zijn de kolonies wit van kleur; bij zwakke vergrooting zijn de beide eerst beschreven vormen bruin, de beide laatste wit. Na een week, als de vervloeiing duidelijk is, en die van de tweede soort een middellijn van verscheidene millimeters hebben bereikt, doen zij zich voor als een matwit schijfje met een wit puntje in het midden.

De beide eerstbeschreven vormen zijn blijkbaar de hoofdvormen. Zij werden ter vergelijking afzonderlijk op agar over geënt. Beiden gaven op gelatineplaten weder kolonies met en zonder ringen, hoewel bij de kolonies met ringen ook de afstammelingen met ringen verreweg de meerderheid vormden. De eigenschappen in verschillende voedingsbodems waren dezelfde voor beide soorten, en evenmin bestond er verschil in virulentie. (Zie protocollen duif 90 en 91).

Uit alles blijkt dat de cultuur niet gemengd is, en verschillend gevormde kolonies in gelatine geeft. De kolonies met ringen lijken meestal wat dieper te liggen dan de anderen. Kolonies welke geheel beneden de oppervlakte liggen vertoonen niets eigendommelijks.

In melk treedt, na een verblijf van twee dagen in een broedstoof bij 37° C., stolling op. Er scheidt zich een heldere vloeistof af, en de reactie wordt zuur. Het stolsel lost niet op, en de cultuur ontwikkelt geen onaangenamen geur.

Neutraalrood-agar blijft onveranderd; hoogstens wordt zij aan de oppervlakte een weinig ontkleurd.

In peptonoplossing, die glucose, lactose, of saccharose bevat, wordt geen gas gevormd.

Zuurvorming uit manniet, maltose, saccharose, glucose en lactose, werd aangetoond door enting in lakmoes bevattende peptonoplossingen.

Op Dieudonné-agar groeit de vibrio even goed, zoo niet beter dan de cholera-vibrio.

Sluiten