Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschijnselen eener snel verloopende infectieziekte, binnen enkele dagen, en bij sectie vertoont het cadaver het door R. Pfeiffer beschreven beeld eener vibrionensepticaemie (25). De afloop is echter bij caviae van hetzelfde gewicht niet altijd even ongunstig, zelfs niet als grootere hoeveelheden worden ingespoten, gelijk blijkt uit de geschiedenis van cavia 64. Steeds is de gevoeligheid voor onderhuidsche infectie grooter, dan die voor besmetting door inspuiting in de buikholte.

Worden groote hoeveelheden, b.v. 4 c.c. bouilloncultuur in de buikholte gebracht, dan volgt binnen 24 uur de dood, onder snel optredende verschijnselen van collaps (cav. 98).

Duiven zijn buitengewoon gevoelig voor besmetting met dit microörganisme. Het is voldoende een, in een bouilloncultuur gedoopte naald even onder de huid van de borst te brengen, om het dier binnen .vier en twintig, vaak binnen achttien uur te dooden. Hetzelfde geldt voor inspuiting in de vleugelader. In beide gevallen stijgt eerst de temperatuur, om daarna vrij spoedig beneden het normale te dalen. De dieren zakken ineen, en men vindt ze den volgenden morgen dood in het hok. Op de plaats der onderhuidsche inspuiting bestaat een vrij uitgestrekte necrose van het onderhuidsche bindweefsel; bij intramusculaire inspuiting ook van het spierweefsel. Daarvan uitgaande heeft zich een geleiachtig, bloedig oedeem van het onderhuidsche weefsel ontwikkeld, hier en daar met bloedingen. Vooral waar het weefsel losmazig is, zooals bij het elleboogsgewricht, is het oedeem zeer duidelijk te zien.

Yibrionen zijn in het bloed in vrij groote hoeveelheden te vinden, doch niet of weinig gekromd. Zij vertoonen zich, gekleurd door methyleenblauw, veelal als korte dikke staafjes, die vaak twee aan twee liggen. Uit hart, lever, milt en nieren worden regelmatig reinculturen verkregen. Ook hier dus

Sluiten