Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

Onvatbaarheid.

Het is reeds gebleken dat konijnen, voor besmetting door Vibrio 1740, nagenoeg onvatbaar zijn. Duiven bleken zeer gevoelig, terwijl van guineesche biggetjes alleen de jonge exemplaren vatbaar waren, doch niet steeds in dezelfde mate.

Ik stelde mij voor, na te gaan of het mogelijk was vatbare dieren tegen de infectie te beschutten, en entte daartoe als oriënteerende proef, alle reeds vroeger geënte duiven en caviae nogmaals in, en wel caviae met |, duiven met |c.c. suspensie eener 18 uur-oude agar-cultuur als proefdosis.

Dat de cultuur virulent was, blijkt uit den dood van duif 102.

Cavia 32. 29 Jan., 0,2 c.c. bouilloncultuur subc. 23 Maart | c.c. suspencie subc. 24 Maart geen reactie. 26 Maart idem. Hier is dus volledige onvatbaarheid opgetreden.

Cavia 64. 23 Febr. | c.c. suspensie subc. 23 Maart. Proefdosis. 24 Maart duidelijk infiltraat. 25 Maart infiltraat bijna verdwenen. 26 Maart nog verbeterd. Geen onvatbaarheid aanwezig.

Cavia 87. 9 Maart 2 c.c. gesteriliseerde bouilloncultuur (4 dagen intrap.) 23 Maart proefdosis, 24 Maart duidelijk infiltraat, 25 Maart als gisteren, met kleine necrotische plek, 27 Maart nog duidelijk infiltraat. Geen onvatbaarheid aanwezig.

Cavia 88. 3 c.c. gesteriliseerde bouillonc. (4 dagen) intraperit. 23 Maart proefdosis, 24 Maart geen reactie. Hier is dus volledige onvatbaarheid opgetreden.

Cavia 95. 10 Maart 1 c.c. filtraat eener bouillonc. (4 dagen) subc. 23 Maart proefdosis, 24 Maart klein omschreven infil-

Sluiten