Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

In September 1920 werd op de heelkundige afdeeling van het Diaconessenhuis te Haarlem opgenomen een meisje van 14 jaar, Dirkje B., met een wond op de linker dij.

Het was een eenigszins nerveus kind, wier algemeene gezondheidstoestand overigens niets te wenschen over liet. De wond was een tweetal maanden oud en was ontstaan nadat een voor geen enkele therapie wijkend defect van onbekenden oorsprong elders uitgesneden was. Er was echter weer infectie opgetreden en de hechtingen moesten verwijderd worden.

Bij haar opname werd vastgesteld, dat in de regio trochanterica sinistra zich een 10 c.M. lange wond bevond, die op zijn diepste punt 5 c.M. diep was. Deze granuleerde, was met een fibrineus beslag bedekt, en scheidde een weinig sereus-etterig vocht af.

De randen waren niet ondermijnd, een weinig rood gekleurd. De omgeving vertoonde opvallend weinig reactie.

Noch in de anamnese, noch bij het onderzoek van het kind werd iets gevonden, dat aan lues of aan tuberculose kon doen denken. Trouwens het aspect van de wond gaf ook geen aanwijzing om de oorzaak van de eigenaardige hardnekkigheid der aandoening in een van beide richtingen te zoeken.

Het patientje werd in bed gehouden, goed gevoed, en eerst behandeld met een eenvoudig Priesnitz verband. Toen dit geen succes had werden diverse behandelingswijzen beproefd, zooals : zalf, pappen, desinfectie met tinct. jodii, Biersche stuwing, verbanden met 20%keukenzoutoplossing, alles zonder eenig blijvend succes. De zoutoplossing gaf nog een tijdelijke verbetering, maar vervolgens vergrootte de wond zich weer opnieuw. Men had zelfs een ruime excisie overwogen, waartoe de toestemming der ouders echter niet verkregen kon worden wegens het uitblijven van resultaat bij een vroegere gelegenheid.

Inmiddels was het 1 November geworden. Toen werd de

Sluiten