Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaal geteekende figuur opgemeten worden, dan wordt eerst de te gebruiken lengte van den arm (A) bepaald met behulp van den er bij verstrekten tabel. Elk instrument wordt daartoe apart geijkt en de aangegeven getallen hebben alleen betrekking op dit bepaalde exemplaar.

Als voorbeeld wordt de tabel van het hier gebruikte overgenomen:

I. Verhaltnisse. II. Einst. des III. Wert der IV. Constante Nonius am Non. Einh.

Fahrstab M.2 m.m.2

i : iooo 333,8 10 10 23793

1 : 1500 296,7 20 8/9 24295

1 : 500 267,3 2 8 24996

enz. enz. enz. enz.

Moet men nu bijv. een teekening op schaal 1 : 500 opmeten, dan maakt men eerst (met behulp der schaal verdeeling en nonius) de lengte van arm (A)=267,3 (zie tabel, kolom II). Nu plaatsen wij de pool ergens buiten de figuur, en de stift ergens op den omtrek, en lezen op meetraadje en telwerk den beginstand in vier cijfers af; bijv. 4387 (4 : op het meetraadje, 3 : cijfers van het telwerk, 8 : onderverdeeling in tienen van het telwerk, 7 : met behulp van den nonius).

Nu bewegen wij de stift in de richting van de wijzers van het uurwerk over den omtrek tot wij weer in het uitgangspunt terug zijn. Dan lezen wij op rad en telwerk opnieuw den stand af, bijv. nu 4784. Verschil: 4784—4317=467. De noniuseenheid bij deze instelling was volgens de tabel, kolom 111 = 2 M.2

Dus oppervlak = 467x2=934 M.2.

Dit geldt dus voor een figuur op verkleinde schaal geteekend. Voor de meting van wondoppervlakten heeft men de bepaling op ware grootte. Hiervoor geldt de tweede rij in kolom III. Men kan nu alle waarden voor de lengte van (A) uit kolom II kiezen, mits men omrekent met de bijbehoorende waarde uit de rechter helft van kolom III. Neemt men dus bijv. voor de lengte van A=333,8 (zie kolom II), en wordt bovengenoemd verschil weer 467, dan is dus het oppervlak der figuur: 10 X 467 m.M.^4670 m.M.2.

Wanneer men het instrument alleen voor wondopmeting en

Sluiten