Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van onze fictieve kromme. Hieruit volgt, dat een cirkelvormige wond zich niet sluit volgens het principe van een gelijkmatige verkleining langs den straal, maar dat er een factor is, welke die gelijkmatige verkleining remt, en wel steeds meer remt, hoe verder de genezing vordert.

De factor, welke deze vertraging veroorzaakt, is nu, naar mijn meening, de elasticiteit der omringende weefsels. Met dezen factor wordt door Carrel in zijn beschouwingen in het geheel geen rekening gehouden.

Bij de door Carrel en Lecomte du Nouy uiteengezette theoriën wordt uitgegaan van de opvatting, dat twee factoren invloed hebben op de verkleining van een wond, namelijk de schrompeling van reeds gevormd granulatieweefsel („contraction") en de aanwas van jong epitheel („epithelization").

Zij komen daarbij tot de conclusie, dat de contractie meestal de belangrijkste factor is en dat deze althans in den eersten tijd een overwegende rol speelt. De epitheelaanwas voltooit het werk.

(iaat men pathologisch-anatomisch de wondgenezing eenigszins nauwkeuriger na, dan vindt men hoe een grijze fibrine laag bodem en wond bedekt zoodra de bloeding heeft opgehouden. Hierin komen embryonaire bindweefselcellen, die een net vormen waarvan de mazen geleidelijk gevuld worden door lymphoidecellen. Door v. Gaza wordt opgegeven, dat hierbij de bindweefsel fibrillen van colloiden toestand veranderen. Zij gaan door den gel-toestand (halfweek) in den sol-toestand (opgelosten vorm) over, de fibrillen vezelen uiteen en er ontstaan jonge bindweefselcellen, welke zich onderling vereenigen. Dan volgt het omgekeerde proces, uit de cellen worden de collagene fibrillen weer uitgescheiden. Ging het eerste proces met opzwelling gepaard, het tweede wordt door schrompeling begeleid. Verdunde zuren, bijv. melkzuur, zouden hierbij een rol spelen.

Hoe dit ook zij, in elk geval gaat de vorming van jong bindweefsel vergezeld van de ontwikkeling van nieuwe bloedvaten uit den wand der bestaande. Eerst komen er solide strengen, deze komen onderling of met andere bloedvaten in aanraking. Daarbij vervloeit het centrale deel en er ontstaat een lumen, waardoor het bloedgaat stroomen.Nu is het granulatie weefselgevormd.

De morphologische verandering in het epitheel is betrekkelijk

Sluiten