Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zout aan een 5/s moleculair keukenzoutoplossing moest worden toegevoegd om Funduluseieren tot ontwikkeling te laten komen. Behalve calciumchloride gebruikte hij calciumsulfaat, calciumnitraat, bariumchloride, zinksulfaat en loodacetaat. Zooals men ziet zijn dit alle zouten met een tweewaardig kation. Het bleek hem daarbij, dat de hoeveelheid van een zout met een tweewaardig kation, die een */• mo1- NaCl oplossing kan ontgiften, zeer klein is. Van een zout met driewaardig kation zooals A1C13 was die hoeveelheid nog geringer. Ten einde nu de ontgiftende werking van twee zouten in getallen te kunnen uitdrukken heeft Loeb1) het begrip „ontgiftigingscoefficient" ingevoerd, waarmee hij bedoelt de waarde van de verhouding tusschen de concentratie van het giftige zout en het ontgiftende zout. In een reeks onderzoekingen2) bleek het hem, dat de ontgiftigingscoefficient voor twee zouten geen constante waarde had, en alleen constant kon worden gemaakt indien het derde noodzakelijke zout van de reeks Na, K en Ca werd toegevoegd. Bijzonderheden over dit verschijnsel vindt men in Hoofdstuk 4 terug.

Voor de ontgiftende werking spelen de anionen een ondergeschikte rol. Zij hebben alleen beteekenis, indien zij de oplosbaarheid e. d. beinvloeden of specifieke giftwerkingen vertoonen3). De kationen hebben de leiding.

Behalve den invloed van zouten ging Loeb ook de werking van zuren na. De giftige werking van zuren op de ontwikkeling van eieren van Fundulus heteroclytis kan door neutraalzouten worden opgeheven4). Ook hier bestaat er een antagonistische werking, die eveneens quantitatief door een ontgiftigingscoefficient kan worden aangegeven. Deze coëfficiënt heeft voor de giftige grensconcentratie van zoutzuur en salpeterzuur de waarde 'Aee voor boterzuur en azijnzuur is hij resp. 'Aoo en V33- Merkwaardigerwijze blijkt deze coëfficiënt voor de zwakke zuren constanter te zijn, dan voor het zoutzuur en het salpeterzuur hetgeen Loeb toeschrijft aan de groote hoeveelheden keukenzout, die moeten worden toegevoegd. De giftige werking van de zuren kan alleen worden tegengegaan door andere electrolyten, zoodat ook hier in physiologisch opzicht een fundamenteel verschil bestaat tusschen electrolyten en niet geleiders. De

') J. Loeb. Biochem. Zeitschr. Bd. 31, p. 460, 1911.

Bd 3l' L°460 B19nhem' ZeitSChn Bd' 33, 19U" p- 480; Bd" 32' P" 308,1911;

3) J. Loeb. Biochem. Zeitschr. Bd. 39, p. 194, 1912.

4) J. Loeb en H. Wasteneys. Biochem. Zeitschr. Bd. 33, p. 489, 1911.

ibid- Bd. 39, p. 167, 1912.

Sluiten