Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antagonistische zoutwerking, die, zooals reeds bekend, is te beschouwen als een werking tusschen de kationen, blijkt ook te bestaan voor het geval, dat het kation een waterstofion is. Het behoeft dan ook geen verbazing te wekken, dat de waterstofionenconcentratie der vloeistof zijn invloed doet gelden op het antagonisme der zouten. Een opzettelijk onderzoek hiervoor door loeb ') ingesteld bracht aan het licht, dat in een neutrale of zwak zure vloeistof het keukenzout beter door kaliumchloride dan door calciumchloride wordt ontgift; terwijl in alkalische vloeistoffen de ontgiftende werking van het calcium duidelijker is dan die van het kaliumchloride. Loeb geeft bij deze proeven alleen op de hoeveelheid alkali of zuur, die hij aan de vloeistof toevoegt, zonder de waterstofionenconcentratie te vermelden. In ieder geval zijn deze variaties grooter dan in biologische omstandigheden voorkomen.

Behalve voor de eieren van zeevisschen blijkt ook bij een aantal andere levende organismen een antagonisme tusschen zouten te bestaan.

W. Osterhout 2) heeft bij planten de beteekenis van geaequilibreerde zoutoplossingen nagegaan. Evenals dit bij Fundulus-eieren het geval is bleken er ook zeeplanten te zijn, waarvoor het gedestilleerde water ongiftig was. Hier bleek eveneens, dat in een zuivere keukenzoutoplossing de planten veel korter blijven leven, dan in gedestilleerd water of in een keukenzoutoplossing met kaliumchloride

en calciumchloride.

Behalve voor zeeplanten gelukte het hem ook voor zoetwaterplanten aan te toonen, dat een keukenzoutoplossing op zich zelf giftig is en dat de giftigheid door toevoeging van calciumchloride kan worden verminderd3). Deze vondsten werden door Bennecke bevestigd4) en gelden niet alleen voor volwassen planten maar ook voor de zich ontwikkelende planten.

Maschhaupt 5) onderwierp deze gegevens aan een kritiek, waarop wij in Hoofdstuk 4 terugkomen.

In den laatsten tijd heeft Shearer6) getracht de activeerende werking der ionen voor de bacillen van het gasgangreen als een balanceering te beschouwen, terwijl Koehler 7) het bestaan eener

') 1. Loeb. Biochem. Zeitschr. Bd. 28 p. 175, 1910,

2) W. Osterhout. Univ. of Calif. Public. Botany, 2, 317, (1907.) Botanical Gazette 42, 127, 1906 ; 44, 259, 1907.

3) W. Osterhout. Journ. of Biological Chemistry. 1. p. 363, 19Ub.

4) W. Bennecke. Ber. d. deutschen botan. Gesellsch. Jg. 25, 322, 1907.

5) J. G. Maschhaupt. Versl. Landbouwk. Onderz. Rijkslandbouwproefst.

19, 60. 1916.

6) C. Shearer. Journ. of hyg. 19, 72—74, 1920.

7) Koehler. Zeitschr. Allgem. Physiol. 18, 163. 1919.

Sluiten