Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door toevoeging van alkali of een zuur is het dus mogelijk de micellen hunne lading te doen verliezen, waardoor het isoelectrische punt wordt bereikt. In plaats van waterstof of hydroxylionen was het nu mogelijk om deze verandering in de lading te bewerkstelligen met zouten, waarbij hem bleek, dat de invloed van de actieve ionen toenam met hunne waardigheid. Van deze gegevens uitgaande kende Loeb ') een groote beteekenis toe aan de kolloidale oplossingen, die in de levende cel een groote rol moeten spelen, zoodat in het algemeen kan worden gezegd, dat alle levensverschijnselen hunne oorzaak hebben in bewegingen of veranderingen in kolloidale oplossingen.

Oorspronkelijk nam Loeb 2) daarbij aan, dat bij de zouten de physiologische werking alleen bestond in een wijziging in de electrische lading der micellen. Volgens zijne meening zou een verandering der lading van de micellen een verandering te weeg brengen in de viscositeit, welke viscositeitsveranderingen zich in de protoplasmastroomingen door Bütschli en Quincke beschreven, zouden verraden. Loeb dacht zich daarbij, dat de antagonistische werking der zouten was toe te schrijven aan de waardigheid van de bij die werking actieve ionen in den geest van Hardy's proeven. De electrische lading der ionen was dus bij de zoutwerkingen als het voornaamste punt te beschouwen. Spoedig daarna is Loeb 3) echter hierop terug gekomen. De oorzaak was het feit, door hem gevonden, dat de rythmische contracties der dwarsgestreepte spier, die veroorzaakt kunnen worden door natriumchloride, rubidiumchloride en caesiumchloride, worden tegengewerkt door kaliumchloride. De eenwaardige ionen, die de contracties veroorzaken worden door eenwaardige ionen tegengewerkt en zoodoende kan dus de waardigheid der ionen niet de eenigste oorzaak zijn van het antagonisme. In verband daarmede zou men volgens Loeb dan ook de werking van den galvanischen stroom op het weefsel niet moeten toeschrijven aan Iadingsverschillen, maar eerder aan veranderingen in de ionenconcentratie. Nadien is Loeb 4) meer en meer het antagonisme der zouten als een zuivere chemische reactie gaan beschouwen, waarbij de amphotere reactie der eiwitstoffen van groot belang is. Hij stelde zich daarbij den gang van zaken zoo voor, dat in een neutrale oplossing de eiwitstoffen evenveel H +

') J. Loeb. Amer. Journ. of Physiol. Vol. 6, p. 411, 1902.

2) J. Loeb. ibid.

3) J. Loeb. Pflüger's Archiv. Bd. 91 p. 248.

4) J. Loeb. Univ. of Calif. Public, in Physiology Vol. I. p. 149, 1904.

Sluiten