Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het keerpunt der ionenwerkingen samenvalt met het uitvlokkingsoptimum der kolloiden. De in deze paragraaf samengevatte gegevens .zijn voor mij aanleiding om naar een verband te zoeken tusschen electrolytwerkingen en lading der levende cel zooals dat voor kolloidale oplossingen is aangetoond. Waar juist door verschillende onderzoekers de electrolytwerkingen in verband zijn gebracht met de permeabiliteitsverschijnselen, is het niet onmogelijk, dat electrolytwerking, permeabiliteit en lading der celoppervlakte gemeenschappelijk verklaard zouden kunnen worden. Maar dan is het onwaarschijnlijk, dat men door het aannemen van een zuivere chemische binding tusschen electrolyt en eiwitstof tot zijn doel zou geraken.

Door het onderzoek van Mines, waaruit blijkt, dat zeer kleine doses van een driewaardig kation reeds physiologische werkingen veroorzaken, is men geneigd om bij de electrolytwerking naast eene •chemische binding tusschen electrolyt en eiwitstof, die ongetwijfeld bestaat, tevens aan eene adsorptieve werking te denken. Van Oyen') meent, dat een bepaalde chloride minder wordt geadsorbeerd dan NaCl en KCl in combinatie, en hij vermoedt, dat dit proces zich •ook bij de biologische balanceering afspeelt. Met Freundlich zou men dat kunnen aannemen, dat de lading, die tusschen twee grensvlakken bestaat, te beschouwen is als adsorptiepotentiaal d. i. een •ongelijke adsorptie van anionen en kationen. Tracht men dit gegeven te gebruiken ter verklaring van de antagonistische zouwerkingen, dan kan men toch niet tot een bevredigende oplossing komen. Bovendien is het door de nieuwste onderzoekingen van Lanomuir2) twijfelachtig geworden, of er werkelijk een zoo groot verschil tusschen adsorptie en chemische binding bestaat. In één opzicht echter zijn alle onderzoekers het met elkaar eens, n. 1. hierin dat de in de cel overal aanwezige kolloidale oplossingen bij de verklaring der electrolytwerkingen een groote rol spelen. Ten leste is zelfs Loeb een eindweegs met deze gedachtengang meegegaan en heeft getracht om langs kolloidchemischen weg het vraagstuk op te lossen. In een reeks van publicaties beschrijft hij') het gedrag van amphotere kolloiden, waaruit intusschen tenslotte blijkt dat hij toch in beginsel aan zijne reeds in 1904 verkondigde theorie is trouw gebleven. In de eerste plaats onderzocht hij bij het gelatine de wijze waarop dit kan dissocieeren en zijne afhankelijkheid van het isoelectrische punt. Aan de zure kant van het isoelectrische punt kan de eiwitstof

') v. Oyen. Biochem. Zeitschr. 88, 418—424, 1918.

2) Langmuir. Journ. Amer. Chemie. Soc. 39, 1848, 1917.

3) Loeb. Journ. of General Physiol. Vol. 1. 1919.

Sluiten