Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Experimenteele gegevens.

INLEIDING.

Toen mij in 1916 werd opgedragen om na te gaan in hoeverre het kalium in de Ringer'sche vloeistof vervangen kan worden door andere radioactieve stoffen, viel het aanstonds op, dat ook de kaliumvervangers met de overige bestanddeelen der Ringer'sche vloeistof konden balanceeren ')• Behalve voor het rubidium, aan het kalium zoo nauw verwant, kon dit worden aangetoond voor het uranium en thorium, elementen, welke van het kalium geheel verschillen, al hebben zij met het kalium en rubidium de radio-activiteit gemeen. Voor de andere radioactieve atomen gelijk het radium en radiumemanatie, kon geen balanceering worden gevonden, terwijl de radiumbestraling zich voor een dergelijk onderzoek niet leende. Al deze feiten hebben voor het balanceeringsvraagstuk een groote beteekenis, omdat er duidelijk uit blijkt, dat de balanceering als een eigenschap beschouwd moet worden, die aan alle ionen toekomt, geheel afgescheiden van specifieke werkingen, die de ionen verder openbaren. Bij bepaalde organen zooals b.v. het kikvorschenhart, treden zulke specifieke werkingen sterk op den voorgrond, want zooals bekend is, kunnen de bestanddeelen der Ringer'sche vloeistof slechts door bepaalde andere worden vervangen. Voor andere organismen, zooals de eieren van Fundulus, is van specifieke werkingen weinig te bemerken, zoodat hier alle mogelijke ionen de plaats van de ionen van het zeewater kunnen innemen. Zoo is het dan begrijpelijk, dat in deze laatste gevallen de algemeene ionenwerking sterk naar voren

') T. P. Feenstra, Zittingsversl. Kon. Akad. v. Wetensch. Deel 24, pg. 1822, 1916. Deel 25, pg. 37, 1916.

Sluiten