Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt, terwijl in de physiologie van het hart de specifieke kaliumen calciumwerkingen domineeren.

In de volgende bladzijden zal nu worden getracht een overzicht te geven van de proeven, waarin is aangetoond, dat niet slechts het kalium maar ook zijn vervangers in de Ringer'sche vloeistof met het calciumion kunnen balanceeren. Opzettelijk is in die proeven alleen de balanceering tegenover calcium nagegaan, omdat met het oog op den osmotischen druk der vloeistof het natriumchloride niet voldoende gevarieerd kon worden.

§ 1. De proefopstelling.

Overeenkomstig hetgeen geschied is bij de proeven, die de vervangbaarheid van het kalium door andere radio-actieve stoffen moesten bewijzen, werd gebruik gemaakt van het kikvorschenhart.

Het dier werd daartoe gedood door vernieling van hersenen en ruggemerg, waarna het hart werd blootgelegd. Nadat het was vrijgepraepareerd en het pericardium weggesneden, werd, door het orgaan voorzichtig aan den punt op te lichten een ligatuur gelegd ter hoogte van den sulcus atrioventricularis. Deze voorzorg werd genomen om, wanneer de canule in de hartkamer was gebracht, deze vdirekt te kunnen fixeeren. Door het hart opgelicht te houden kon nu hierna met een fijn schaartje de sinus venosus worden ingeknipt, en hierop volgend het septum atriorum worden vernield. Na deze kunstbewerking werd de canule van Kronecker aangebracht. Deze canule „a doublé courant" bestaat uit een stelsel van twee niet even wijde buizen, beide vervaardigd van nieuwzilver. De nauwste van deze twee dient tot toevoer, de wijdste tot afvoer der voedingsvloeistof. Wanneer nu deze canule door de opening in de sinus venosus tot in de hartkamer was gebracht, kon, door het aantrekken der ligatuur het geheel worden gefixeerd. Bij deze methodiek is het noodzakelijk om op eenige bijzonderheden te letten, die voor het welslagen der kunstmatige doorstrooming van het grootste belang zijn.

In de eerste plaats moet er voor worden gezorgd, dat bij het aantrekken van de ligatuur deze ongeveer ter hoogte van de sulcus atrioventricularis komt te liggen. Als proefobject dient dan alleen de ventrikel. Bovendien is het noodig, dat de ligatuur sterk wordt aangetrokken.

In de tweede plaats is het een vereischte, dat bij het inbrengen de canule geheel en al vrij is van luchtbellen, omdat die anders in de ventrikel blijven hangen en daar storend werken.

Zoodra het hart aan de canule is bevestigd, wordt de invoerbuis

Sluiten