Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zou naar aanleiding van deze opmerking neiging gevoelen het cijfer 37.5 mgr. uit Streef's tabel in een getal tusschen 37.5 mgr. en 50 mgr. ingelegen te vervangen. Voor de ondergrens is dus van eene balanceering op die wijze weinig te bespeuren, terwijl voor de bepaling der bovengrens hoeveelheden zijn gebruikt, die zoo groot zijn, dat een spoedig gedeeltelijk uitvlokken te vreezen is. Het wordt daarom voor de bovengrens eenigszins twijfelachtig of de balanceering hier wel bestaat. Bovendien al ware uit de cijfers een werkelijke balanceering af te leiden, dan was het nog altijd de vraag of het verschijnsel met de colloidale thoriumhydroxyde-complexen in verband moet worden gebracht of wel afhankelijk is van de ionen, welke nevens de complexen wellicht in een gering aantal vrij opgelost voorkomen. Wanneer het aantal dezer ionen bij de hoogere calciumdoseeringen aanzienlijker ware dan bij de lage, zou de tabel zijn toegelicht, ook zonder de aanname van eene balanceering tusschen Ca-ionen en colloidale complexen van thoriumhydroxyde. Ik blijf daarom nog steeds in twijfel of uit Streef's gegevens inderdaad besloten mag worden, dat tusschen het colloidale thorium en het calcium eene balanceering bestaat.

Beter te gebruiken dan de waarnemingen van Streef zijn de gegevens die„levend in den winter van 1920 verkreeg, om eene balanceering tusschen de colloidale ionium-thoriumoplossing en het calciumchloride te bewijzen. Eene herhaling van deze proeven in het voorjaar van 1921 leverde echter niet dezelfde mooie resultaten op. Naast enkele harten, waarbij geene balanceering kon worden aangetoond, beschrijft hij ook twee gevallen, waarin naar zijne meening van balanceering gesproken mag worden. In deze twee gevallen zou het hem gelukt zijn om een, met een bepaalde hoeveelheid Io slecht kloppend hart, door verandering van het calciumgehalte te verbeteren. Hoe groot echter in deze proeven de niet neergeslagen hoeveelheid Io in de vloeistof was, is niet precies te zeggen, zoodat het moeilijk is na te gaan of deze verbetering beschouwd moet worden als het gevolg van een juistere verhouding tusschen het Io gehalte en het Ca-gehalte der vloeistof of wel aan een op zichzelf reeds geschikte Ioniumdosis te danken is.

§ 4. Het onderzoek der kalium- en rubidiumzouten.

Volledigheidshalve moeten ook de resultaten worden vermeld, die het onderzoek der balanceering tusschen kalium of rubidium en het calcium hebben opgeleverd, ofschoon dit feit reeds langen tijd bekend was. Ook daarvoor heb ik mijne gegevens in grafische voorstellingen

Sluiten