Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hiernaast komen ook gevallen voor, waarin geen balanceering kon worden aangetoond, mede is dit van groot belang. Zooals reeds bij de bespreking van de werking der thoriumzouten werd opgemerkt, heeft men alle recht om de balanceering der colloidale oplossingen in twijfel te trekken. Voegt men nu hierbij het geheel afwezig zijn eener balanceering van de radiumemanatie tegenover het calciumchloride, dan komt men tot de conclusie, dat eene balanceering alleen duidelijk is aangetoond voor het kaliumchloride, rubidiumchloride, uranylnitraat en thoriumnitraat en wel indien deze in kristalloide oplossing werden gebruikt. In deze kristalloide oplossingen komen nu allereerst voor de zoutmoleculen en bovendien de anionen en kationen, die zich uit die zoutmoleculen kunnen vormen. De zoutmoleculen zelf zullen bij deze verschijnselen hoogstwaarschijnlijk geen merkbare rol spelen, want afgezien van het chloornatrium zijn zij in physiologische omstandigheden in een dusdanige geringe concentratie aanwezig, dat men ze voor nagenoeg volkomen gedissocieerd mag houden. Juist in die sterk verdunde oplossingen vertoonen verschillende van deze zouten hunne typische physiologische werkingen. De anionen zijn ook ten opzichte van de balanceering als indifferent te beschouwen, omdat,zooals een, reeds genoemd, opzettelijk onderzoek met uranylzouten aantoonde, het onverschillig is welk anion naast het uranylion wordt gebruikt, uitgezonderd natuurlijk die anionen, die specifieke werkingen vertoonen. Het is daarom alleszins gerechtvaardigd om de balanceering in het bijzonder als een kationenwerking te beschouwen. Het afwezig zijn van de balanceering bij de radiumemanatie versterkt mij in deze meening.

Uit den aard der zaak is men geneigd om de physiologische ionenwerkingen als chemische reacties op te vatten, die zich tusschen de ionen en bestanddeelen van het protoplasma afspelen. Volgt men dezen gedachtengang dan komt men er vanzelf toe om zich af te vragen welken invloed de temperatuur op het proces uitoefent. Een opzettelijk onderzoek in deze richting leidde tot het merkwaardige feit, dat de temperatuur op het verschijnsel geen aantoonbaren invloed, noch quantitatief noch qualitatief, doet gelden. Variaties in de temperatuur tusschen ± 10° en 30° C. gaven volmaakt dezelfde balanceeringsgrenzen. Ook reeds hierom is het onwaarschijnlijk, dat in deze gevallen zuiver chemische reacties in het spel zouden zijn.

Samenvattend hebben dus de proeven de volgende gegevens opgeleverd:

1. De balanceering moet beschouwd worden als het gevolg van ionenwerkingen.

2. De waardigheid der ionen speelt bij de balanceering een onder-

Sluiten