Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A d s o r p t i e-b i n d i n g.

Tegenover een zuiver chemische binding der kristalloiden aan de eiwitstoffen kan men zich denken, dat de binding langs zuiver adsorptieven weg tot stand komt.

Ophooping van stoffen aan eene oppervlakte zal in al die gevallen optreden, waarin volgens Gibbs') de oppervlaktespanning wordt verlaagd. Deze ophooping heeft plaats afgezien van welke processen ook, die zich nadien in die oppervlakte zullen afspelen. Bovendien zij er hier op gewezen, dat de ophooping aan eene oppervlakte veel sneller tot stand komt, dan de diffusie in het binnenste van een lichaam en dat bovendien het adsorptieevenwicht zich volgens Freundlich2) snel instelt, mits slechts geen andere processen het secundair beinvloeden.

Volgen we voor de adsorpties de indeeling volgens Zsigmondy, dan hebben we bij de eiwitstoffen, die in de physiologische oplossingen als colloidale deeltjes voorkomen, te doen met de opname van kristalloide opgeloste stoffen door de micellen der coilloidale oplossing. Hierbij kunnen zich twee mogelijkheden voor doen en wel:

1°. het systeem blijft schijnbaar onveranderd.

2°. het systeem is aan waarneembare veranderingen onderhevig.

Bestaat er in de levende cel gelegenheid tot adsorptie dan is het zonder meer duidelijk, dat onder physiologische omstandigheden steeds met de onder sub 1° genoemde mogelijkheden te maken hebben. Men moet er dan echter op bedacht zijn, dat het systeem alleen in physisch chemischen zin schijnbaar onveranderd blijft, want het leidt geen twijfel dat juist de adsorpties in physiologischen zin tot sterke, duidelijk waarneembare veranderingen aanleiding geeft.

Anorganische zouten verhoogen de oppervlaktespanning in de grenslaag lucht — water, maar verlagen volgens Lewis de oppervlaktespanning in de grenslaag water — koolwaterstofgroep.i Theoretisch volgt daaruit, dat een adsorptie mogelijk is tusschen proteinen en anorganische zouten.

Bechhold3) kon daarenboven met behulp van ultrafiltratie aantoonen, dat kolloidaal albumine in staat is het kristalloide methyleenblauw op te nemen.

De hiergenoemde gegevens wijzen allen erop, dat kristalloiden

') Gibbs. Thermodyn. Studiën. S. 271.

2) Zsigmondy. Kolloidchemie, 1912, p. 62.

3) Bechhold. Zeitschr. f. physik. Chemie Bd. 60 p. 257—318.

Sluiten