Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Miss Pochels ') en daarna Lord Rayleigh 2) hebben aangetoond, dat de oppervlaktespanning van water alleen dan door olie sterk wordt verlaagd, indien de olielaag op het water 1.3 10—7 C.M. dik is Wordt de laag dikker dan treedt een snelle daling der verlaging op!

Langmuir denkt zich nu, dat de spreiding van olie op water het gevolg is van een bepaalde aantrekking tusschen zekere ar0epmoleculen van de olie en groepmoleculen van het water. Worden in bepaalde gevallen alle groepmoleculen van een stof aangetrokken door de groepmoleculen van het water dan is een stof oplosbaar; worden slechts bepaalde groepmoleculen aangetrokken en andere afgestooten, dan zal zoo'n stof zich aan de oppervlakte ophoopen. In het ohezuur b.v. worden de carboxylgroepen aangetrokken door groepmoleculen van het water in tegenstelling met de koolwaterstofgroepen, die een grootere aantrekking voor elkaar bezitten dan tegenover water. Is de olielaag op het water een molecuullaag dik dan zullen alle carboxylgroepen zich met water kunnen verbinden

en de carboxydraatgroepen niet van elkaar gescheiden behoeven te worden.

Heeft dus een olie geen carboxylgroepen, dan zal ook geen spreiding op het wateroppervlak optreden; voor paraffineolie komt dit ook werkelijk uit: een spreiding heeft niet plaats.

Doordat de koolwaterstofgroepen zich in dit geval niet met de watermoleculen verbinden zullen zij in de oppervlaktelaag worden gericht en zullen er van deze groepmoleculen verdwaalde krachtvelden blijven bestaan. Uitgebreide waarnemingen, door Langmuir beschreven, toonen ook aan, dat er een zoodanige richting der groepmoleculen optreedt, dat de koolwaterstofgroepen vrij blijven t.o.z. van het water. De bestaan blijvende verdwaalde krachtveiden zijn te beschouwen als electro-magnetische krachtvelden, afkomstig van de electronenbewegingen in de atomen. De oppervlaktespanning of oppervlakteenergie is dan het verdwaalde electro-magnetische veld, dat uitstraalt van de oppervlakte laag.

De oppervlaktespanning is dus toe te schrijven aan het ten opzichte van het oplosmiddel minst werkzame gedeelte van het molecuul en een gevolg van de manier van rangschikking der moleculen in de oppervlaktelaag. Men moet zich daarbij voorstellen, dat b.v. bij ohezuur de COOH groep in contact is met water en de koolwaterstofgroepen hier loodrecht op staan.

Nemen we met Lewis 3) aan, dat de anorganische zouten in

') Miss Pochels. Nature, 43, pg. 437, 1891.

2) Lord Rayleigh. Philosophic. Mag. 48, 331, 1899

3) Lewis. 1. c.

Sluiten