Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of ionenconcentratie Ca 3.2 X 0.006 0064

ionenconcentratie Na 2.3 X 1.3

Terwijl empirisch gevonden is:

ionenconcentratie Ca 0.001 1 „

_ —__ — 0.0066

ionenconcentratie Na 0.15 150

TABEL 10

Verhconcent?aties°nen" berekend empirisch gevonden

~ 0.165 0.166 k

~ 0.04 0.04 Na

-- 0.0064 0.0066 Na

Vergelijken we de tabellen 9 en 10 met elkaar, dan blijkt, dat voor de warmbloedige ringer'sche vloeistof een betere overeenstemming tusschen de berekende en empirisch gevonden waarden bestaat, dan bij de vloeistof voor koudbloedigen het geval is. Terwijl voor de warmbloedige RiNGER'sche vloeistof eenerzijds hoogstens verschillen bestaan van 0.001, zijn deze voor de koudbloedige vloeistof veel grooter en bereiken eene waarde van 0.2. De oorzaak moet m.i. gezocht worden in het feit, dat de door mij gebruikte gegevens ter berekening van de constanten in de formule door Hofmeister zijn verkregen door gebruik te maken van eiwitoplossingen van warmbloedige dieren. Zoodoende is het verklaarbaar, waarom voor de warmbloedige RiNGER'sche vloeistof betere uitkomsten verkregen werden dan met de koudbloedige vloeistof het geval was. Voor eene nauwkeurige berekening van de RiNGER'sche vloeistof in het laatste geval zou het dan noodzakelijk zijn om de bepalingen, door Hofmeister verricht, met eiwitstoffen van koudbloedige dieren te herhalen. Maar ook al heeft men dit gedaan, dan nog blijft de moeilijkheid over, om het verschillende gedrag tusschen zomer- en winterkikvorschen te verklaren. Door het sterk uitgesproken verschil in gedrag tegenover electrolyten dat hier bestaat komt men er toe om aan een overeenkomst te denken met de agglutininen van Bordet. Höber denkt zich het verschijnsel zoo, dat er door het vasthechten der agglutininen aan de oppervlakte der cel toestandveranderingen . optreden aan de oppervlakte, waardoor de hydrophyle colloiden zouden veranderen in suspensiecolloiden.

Sluiten