Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men zou zich voorts kunnen denken, dat nieuw toegevoerde zouten, zooals b.v. het uranylnitraat in de Ringer sche vloeistof, in de' proeven van Zwaardemaker zich niet onmiddellijk met de eiwitstoffen vereenigen en daarom niet in mijne theorie mogen worden opgenomen. Stelt men zich echter voor, dat ook in een zich in evenwicht bevindende vloeistof de ionen steeds in beweging zijn, dus dat in een gebalanceerde vloeistof zich steeds evenveel ionen met de eiwitstoffen kunnen binden als er ionen worden afgestooten, dan is er m.i. geen hinderpaal zich in te denken dat zich ook nieuw toegevoegde ionen met de eiwitstoffen zullen verbinden. Ook is het geen bezwaar, dat misschien bij de natuurlijke aanhechting van Na-, K-, en Ca-ionen aan het protoplasma, of de kunstmatige te voorschijn geroepen aanhechting van vervangers de binding niet van zoogenaamd chemischen aard is, maar tot het terrein den adsorpties moet worden geHekend. Immers de oplossingsspanning van Nernst komt onder alle omstandigheden tot uiting, hoe ook de atomen vastgehouden worden, mits het slechts niet geschiedt in ionvorm, Om dezelfde reden is het ook onverschillig voor de toepassing van de in Hoofdstuk 3 ontwikkelde theorie of de aangehechte atomen al dan niet herkomstig zijn uit een colloidale oplossing. Het eenige waarmee de theorie rekening heeft te houden is met de aanwezigheid van niet-geioniseerde atomen aan het celoppervlak en met de concentratieverhouding van het metaalpunt in dit opzicht tot de metaalionen van dezelfde soort in de omringende vloeistof.

De theorie, die ik in Hoofdstuk 3 heb trachten te ontwikkelen, verschilt

van de oorspronkelijke theorie van J. Loeb in tweeerlei opzicht: lo doordat het protoplasma vrij van een membraan gedacht wordt, zoodat alle permeabiliteitsbeschouwingen, in dit verband althans,

komen te vervallen.

2° doordat de oplossingsspanning van Nernst in het geding gebracht wordt met een potentiaal, bepaald door de concentratie der ionen in het electrolyt en de waarde der oplossingsspanning.

Wat sub. 1 betreft zij nog opgemerkt, dat ik wel een oppervlaktelaag aan het celprotoplasma toedenk, maar niet als een continueele membraan van bepaalde permeabiliteit. De oppervlakte moge als vlak continu zijn, niet als film van overal gelijkwaardige stof. Volgens de wet van Gibbs kan hier deze soort bestanddeelen, daar een andere zijn opgehoopt. Wat sub. 2 aangaat zij het mij vergund er nog eens uitdrukkelijk op te wijzen, dat ik mij de Na-, K- Ca. atomen of in het experiment hun vervangers mij bepaaldelijk op zeer omschreven plaatsen gelocaliseerd denk en het de bestanddeelen op die plekken zijn, welke de oplossingsspanning bepalen.

Sluiten