Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De ionenbalanceering en het radio-physiologisch antogonisme.

De studie van de physiologische balanceering van ionen kan plaats hebben zonder dat men bekend is met het radio-physiologisch antagonisme en geheel onafhankelijk daarvan. Deze volkomen onafhankelijkheid ten opzichte van de radio-biologische functies wordt verkregen, wanneer men er voor zorg draagt nooit meer dan één soort radioactieve ionen in de vloeistof te hebben. Zoodra er echter twee zijn is het radio-physiologisch;antagonisme een factor, waarmee rekening moet worden gehouden.

Daarom is het goed de twee verschijnselen: ionenbalanceering en radio-physiologisch antagonisme naast elkaar te stellen.

Wat men onder ionenbalanceering heeft te verstaan, hebben we op de voorafgaande bladzijden getracht uiteen te zetten. Het geldt een eigenschap, welke verwezenlijkt kan worden met behulp van alle denkbare ionen ')•

Onder het radio-physiologisch antagonisme wordt verstaan het ophouden der automatie, door een radioactieve substantie onderhouden, na toevoeging van een tweede radioactief bestanddeel van tegengesteld teeken, dat indien alleen aanwezig ook in staat zou zijn om het hart te doen kloppen. Dit heeft plaats indien het eene bestanddeel a-stralen en het andere /?-stralen uitzendt. Bij het onderzoek naar de werking van radioactieve stoffen op de hartspier, indien deze de plaats van het radioactieve kalium in

') In de theorie der ionenbalanceering is gebruik gemaakt van het door Nernst ingevoerde begrip: „electrolytische oplossingsspanning". Deze oplossingsspanning heeft een hooge waarde voor de z.g. onedele metalen, terwijl zij daarentegen voor de edele metalen zeer laag is. Of ditzelfde voor de verbindingen der metalen ook geldt is niet bekend en kan voorloopig ook niet onderzocht worden. Merkwaardig is het echter, dat de physiologisch werkzame metalen allen een zeer hooge oplossingsspanning bezitten.

Sluiten