Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemaakt en waarvan de lengte en hiermee de lichtintensiteit variabel was. Hij begaf zich in het donker en bepaalde de lengte, waarbij licht werd waargenomen. Daarna wordt de draad verlengd en bepaald, wanneer deze weer zichtbaar wordt, etc. Aubert neemt dan verder aan, dat bij verlenging van den draad met gelijke bedragen een arithmetische vermindering der lichtintensiteit van den gloeienden draad tot stand komt.

Hij vond, dat de lichtgevoeligheid na twee uur 35 X zoo groot is als bij 't begin van het donkerverblijf. Na 2 minuten is de gevoeligheid al 15—20 X toegenomen, dus aanvankelijk sterke, dan geringe toename.

Tegen Aubert's onderzoek zijn eenige bezwaren in te brengen. Vooreerst is 't niet bewezen, dat de genoemde eenvoudige betrekking tusschen draadlengte en lichtintensiteit bestaat. Ook moet men in aanmerking nemen, dat de zwak gloeiende draad in hoofdzaak roode stralen uitzendt, terwijl bij grootere draadlengte (lagere temperatuur) relatief steeds minder stralen van geringer golflengte (groen en blauw) worden uitgezonden. Door de geringe hoekgrootte van den 2—3 c.M. langen draad is alleen de gevoeligheid van de centrale en paracentrale netvliesdeelen onderzocht.

Charpentier l) bepaalde met zijn photoptometer t minimum perceptibile op verschillende tijdstippen na het begin van het donkerverblijf. De voorafgaande lichtadaptatie wisselde, geschiedde aan gewone kamerverlichting. Om den invloed van verschillende pupilwijdte bij 't kijken te elimineeren, maakte hij gebruik van een stenopaeische

!) Expériences sur la marche de 1'adaptation rétinienne, Arch. d'Ophth. VI. 1886.

Sluiten